“Nietzsches nieuwe kijk op de ascese werd pas mogelijk in een tijd waarin de ascese zich postspiritueel somatiseert, terwijl de uitingen van spiritualiteit daarentegen op postascetische, ongedisciplineerde en informele sporen belanden. De despiritualisering van de ascese is vermoedelijk de meest ingrijpende gebeurtenis in de actuele geschiedenis van de mensheid, [vet – JP] die vanwege haar grootschaligheid weliswaar nauwelijks waarneembaar is, maar die de algemene atmosfeer ten diepste beïnvloedt. Daaraan beantwoordt de informalisering van spiritualiteit, een proces dat gepaard gaat met het commercialiseren van de spiritualiteit in overeenkomstige subculturen. De grenswaarden voor beide tendensen vormen de geestelijke oriëntatiepunten van de twintigste eeuw. De eerste tendens wordt vertegenwoordigd door de sport, die de metafoor bij uitstek voor elke prestatie is geworden: de tweede door de populaire neomystiek, deze devotio postmoderna, die het leven van de hedendaagse individuen met onvoorzienbare bliksemschichten van innelijke uitzonderingstoestanden impregneert.”

Na de opwarmertjes Rilke en Nietzsche gaan we volgende keer naar een nieuwe wegbereider voor de ‘Planeet van de oefenenden’:  Carl Hermann Unthan (1848-1929) in het hoofdstuk ‘Alleen invaliden zullen overleven’.

(eerdere Sloterdijk-beschouwingen)
(Illustratie: Jennifer Allora en Guillermo Calzadilla, Body in flight – Biënnale van Venetië 2011)

Voor Nietzsche zou het een gruwel geweest zijn indien men hem met etiketten als ‘modern’ of ‘postmodern’ had gecatalogeerd. Nietzsche zocht naar een radicale allochronie, een fundamenteel andere temporaliteit binnen het heden. Sloterdijk besteed veel aandacht aan de chronologische situering van Nietzsche in zijn tweede hoofdstuk dat de subtitel ‘Het project ‘Oudheid’ van Nietzsche‘ draagt:

Lees de rest van dit artikel »

Wat me opvalt bij Sloterdijk is dat zijn briljante formuleringen, bij tweede en derde lezing soms aan impact verliezen. Alsof onder de glanzende schil van de verbale appel bij nader inzien vruchtvlees in ver gevorderde staat van deshydratatie schuilt. Dit stukje over Rilkes Apollo bijvoorbeeld wist me meteen te intrigeren:

“Dat deze opgeladen Apollo een verschijning van Dionysus belichaamt, blijkt uit de opmerking dat de steen glom als een roofdiervel: Rilke kende zijn Nietzsche. Hier stuiten we op de tweede microreligieuze, respectievelijk protomuzikale module: het notoire ‘dit staat voor dat’, ‘het ene verschijnt in het andere’, ‘de diepte is aanwezig in de oppervlakte’ – formules zonder welke geen enkel religieus discours het ooit heeft kunnen stellen. Uit deze formules kan men opmaken dat religiositeit een vorm van hermeneutische beweeglijkheid is en iets wat men zich door training eigen kan  maken.”

Geef toe, het blijft naklinken, die ‘hermeneutische beweeglijkheid die men zich door training eigen kan maken‘ maar waar slaat het,  behalve op een hermeneutische beweeglijkheid die men zich door training eigen kan maken  in godsnaam – no pun intented – nóg op? In dergelijke passages krijg ik onwillekeurig het gevoel dat Sloterdijk per sé zijn bruggetjes naar zijn thema: de oefenende mens van de toekomst wil maken, en passant hier en daar nog een resterend religieus bruggetje opblazend. Maar dan komt een passage als deze:

“De sinds 1900 explosief florerende sportcultus heeft een eminente betekenis voor de geestesgeschiedenis, beter gezegd: voor de geschiedenis van de ethiek en de ascese, omdat zich daarin een baanbrekende accentverschuiving in het oefengedrag manifesteert – een transformatie die men nog het best kan omschrijven als resomatisering, respectievelijk despiritualisering van de ascese [vet van JP]. In dit opzicht is sport de meest expliciete verwezenlijking van het links-hegelianisme, de filosofische beweging waarvan het motto luidde: ‘de wederopstanding van het vlees op aarde’. Van de twee grote ideeën van de negentiende eeuw, het socialisme en het somatisme, was blijkbaar alleen het laatste algemeen uitvoerbaar, en men hoeft geen profeet te zijn om te beweren dat de eenentwintigste eeuw, meer nog dan de twintigste, geheel en al in zijn teken zal staan.”

…. en deze:

“De zin: ‘Je moet je leven veranderen!’ moet nu worden opgevat als refrein van een taal van het in-vorm-raken. Hij behoort tot een nieuw retorisch genre, het coachdiscours, de donderpreek in de kleedkamer tegen een team dat uit vorm is. Wie met teams praat, moet ieder afzonderlijk toespreken, alsof hij met hem alleen spreekt. In gezelschap kunnen zulke gesprekken niet geduld worden, voor teams zijn ze constructief.”

… en deze:

“(…) geef de verdenking dat sport een zaak voor de allerdomsten is, slechts zoveel ruimte als gepast is, gebruik haar niet als excuus om te volharden in je gebruikelijke lakshei, wantrouw de filister in jezelf, die denkt dat je, zoals je nu bent, best wel in orde bent! Luister naar de stem min de steen, verzet je niet tegen de roep om de vorm! Grijp de gelegenheid aan om met een god te trainen!”

… en je wil weer doorlezen. Op naar het volgende hoofdstuk over Het project ‘Oudheid’ van Nietzsche.

(eerdere Sloterdijk-beschouwingen)

Na zijn inleiding, waarin Sloterdijk dapper maar voorlopig zonder veel hoop op succes aan de diepe fundamenten van de religie krabt, legt hij nu de eerste stenen voor wat hij ‘De planeet van de oefenenden‘ noemt. Het eerste hoofdstuk handelt over de belevenis van Rilke die onder invloed van Rodin (wiens privésecretaris hij een tijdje geweest is) zich afkeert van zijn ‘jugendstilachtige, sensibilistisch-atmosferische manier van dichten’ om het object centraal te laten staan  in zijn kunst: het fameuze concept van het ‘ding-gedicht’.  Zijn bekende sonnet Archaïscher Torso Apollos geldt in zekere zin als programmaverklaring. Sloterdijk begint zijn Rilke-hoofdstuk, getiteld ‘Het bevel uit de steen‘, met een opmerkelijke motivatie:

“De keuze voor een dichterlijke tekst lijkt gunstig – nog afgezien van het feit dat ik er de titel van dit boek aan ontleend heb -, omdat zo’n tekst, aangezien hij tot het domein van de kunst behoort, minder gevaar loopt de antiautoritaire reacties op te roepen die dogmatische of uit de hoogte gedane uitspraken tegenwoordig bijna dwangmatig uitlokken – ‘hoogte, wat is dat nu helemaal?'(…) Het kunstwerk mag zelfs ons, ook al zijn we de vorm ontvlucht, nog iets ‘zeggen’, omdat het heel duidelijk niet van de bedoeling blijkt geeft ons te willen inperken. ‘La poésie ne s’impose plus, elle s’expose.'”

Autoriteit wordt niet meer aanvaard in dit user-generated-content-tijdperk, dit wiki-walhalla waar we allen vlijtig aan meebouwen. Alleen boodschappen uit esthetische hoek kunnen nog enigszins rekenen op een luisterend oor. Rilkes gedicht als retorisch glijmiddel dus om de lezer van zijn betoog voor de categorische imperatief – Je moet je leven veranderen – gunstig te stemmen. Voor de Nederlandse vertaling heeft men gekozen voor de  vertaling die Peter Verstegen van het Apollo-gedicht maakte.  Helaas wordt daarin het dwingende ‘Du musst dein Leben ändern’ uit het origineel opgeofferd aan de vorm- en rijmdwang in het Nederlands:

Archaïsche torso van Apollo

Wij zagen nooit zijn  ongekend gezicht,
De oogappels die daarin rijpten. Maar
Zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ’t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ’t midden toe dat het geslachtsdeel droeg

Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.

(Vertaling: Peter Verstegen, Amsterdam 1998)

In de twee slotverzen vindt Sloterdijk alweer een bruggetje naar de religie en wel op deze manier:

“(…) ik kan me desnoods, door toedoen van Rilke, een glimlach voorstellen die van een onzichtbare mond tot aan een verdwenen geslacht loopt. Maar het is een ongehoord hoge eis dat ik moet geloven dat de torso mij ziet terwijl ik naar hem kijk – ja, dat hij mij scherper opneemt dan ik hem kan aankijken!
Het vermogen om dit innerlijke gebaar te maken, waarmee men in zichzelf ruimte voor deze onwaarschijnlijkheid creëert, zou heel goed kunnen samenvallen met het talent waarvan Max Weber ontkende dat hij het bezat. Het is het talent voor ‘religiositeit’, in de zin van een aangeboren aanleg die ontwikkeld kan worden, en het is dus terecht vergelijkbaar met muzikaliteit. Men kan zich erin oefenen, zoals men melodische passages of syntactische patronen oefent. In dit opzicht is religiositeit congruent met een zeker grammaticale promiscuïteit. Waar die aan het werk is, verwisselen objecten en subjecten soepel van plaats. Als ik dus accepteer dat er op het glimmende oppervlak van het verminkte stuk steen overal ‘plekken’ zijn die gelijkstaan aan ogen en die mij zien, dan verricht ik een microreligieuze handeling, die men, heeft men haar eenmaal begrepen, als primaire module van een ‘vrome’ innerlijke houding ook in de macroreligieus uitgewerkte systemen op alle niveaus tegenkomt.”

Daar moet ik even over nadenken….

(eerdere Sloterdijk-beschouwingen)

We zijn bijna door de inleiding van Je moet je leven veranderen (2009) en ik noteer nog het volgende:

“Overal waar men de leden van de menselijke soort tegenkomt, laten ze de trekken zien van een wezen dat veroordeeld is tot surrealistische inspanning. Wie mensen zoekt zal acrobaten vinden.”

(uit de inleiding De antropotechnische wending). Volgende keer vatten we het eerste hoofdstuk aan dat opgebouwd is rond een belevenis van Rilke.

De inzet van Je moet je leven veranderen (2009) is hoog. Sloterdijk beschouwt het fenomeen ‘religie’ in eerste instantie als onuitroeibaar omdat het beschermd wordt door het geestelijke immuniteitssysteem dat de mens in de loop der eeuwen heeft aangekweekt. Toch zal hij een poging ondernemen om een bres in die immuniteit te slaan door het invoeren van een alternatieve taal voor een verzameling fenomenen die in het verleden met uitdrukkingen als ‘spiritualiteit’, ‘vroomheid’, ‘moraal’, ‘ethiek’ en ‘ascese’ werden aangeduid. In zijn inleiding De antropotechnische wending zegt hij het volgende:

“Als we onze poging tot een goed einde brengen, zal het traditionele religiebegrip, deze onzalige marionet van de decorontwerpers van het moderne Eruopa, als de grote verliezer uit deze onderzoekingen tevoorschijn komen. Nu lijkt de ideeëngeschiedenis al van oudsher op een asiel voor begrippen met een geboorteafwijking – en als men een gan maakt door de afdelingen zal men dus niet alleen het concept ‘religie’ ontmaskeren als al van tevoren behept met een mislukt design, een concept dat wat betreft knulligheid enkel door de schertsfiguur ‘cultuur’ wordt overtroffen. Men zal dan ook begrijpen dat het gezien de gewijzigde omstandigheden net zo zinloos zou zijn partij te kiezen voor de negatieve bigotterie die zich bij ons sinds bijna twee eeuwen als atheïsme afficheert – een monument van waardigheid waar elegante intellectuelen graag hun hoed voor afnamen, zo vaak als ze het passeerden, niet zonder bij deze gelegenheid het predicaat ‘intellectueel oprecht’, respectievelijk ‘kritisch’ of ‘autonoom’ voor zichzelf op te eisen. Het is nu zaak het toneel negentig graden te draaien, zodat het religieuze, spirituele en ethische materiaal vanuit een andere, verhelderende hoek kan worden bekeken.”

Voorwaar een ambitieus en intrigerend programma. Verder lectuurverslag volgt.

Vanmiddag ben ik begonnen in Je moet je leven veranderen (2009) van Peter Sloterdijk.  Naarmate mijn lectuur vordert zal ik er frappante passages uit citeren.  Dit komt uit de inleiding: De antropotechnische wending:

“De godsdienstsociologen  winden er geen doekjes om: overal ter wereld wordt nog stevig geloofd; alleen bij ons heeft men de ontnuchtering verheerlijkt. En inderdaad, waarom zouden de Europeanen als enigen een metafysisch dieet volgen, terwijl de rest van de wereld zich onverstoorbaar tegoed doet aan de rijk voorziene tafels van de illusie?”

%d bloggers liken dit: