De Spaanse krant El Pais publiceerde dit weekend een stuk onder de titel “wereldwijde crisis van de literaire kritiek”.  De redacteur interviewde ondermeer de boekenredacteur van The Guardian Claire Armitstead; essayist, uitgever en vertaler Eliot Weinberger; en Marie Arana, voormalige redactrice van The Washington Posts ter ziele gegegane Book World review.

Voor Eliot Weinberger bestaat de literaire kritiek zelfs niet meer in Amerika:

“De Verenigde Staten kennen geen literaire bijlagen zoals in Spanje en andere landen. Ze hebben slechts één belangrijk tijdschrift voor literaire kritiek: –The New York Review of Books. Er zijn geen gezaghebbende Amerikaanse critici meer, zoals in de jaren ’60, die verstaanbaar proza schreven dat iedereen kon begrijpen en die de literatuur een plaats gaven in de politieke, sociale en morele vraagstukken. De zogenaamde ‘ernstige’ literaire kritiek is vooral een zaak van academici geworden die in een gespecialiseerd jargon schrijven vanuit de overtuiging dat complexe gedachten alleen verwoord kunnen worden in hermetische zinnen…

Literaire kritiek is in de Verenigde Staten vernauwd tot ‘aanbevelingen’ die via recensies, blogs en Twitter tot ons komen. Prijzen zijn de standaard geworden om literaire verdienste te valideren, vooral voor hen die niet weten hoe die prijzen worden bepaald.  Ik ken geen enkele Amerikaanse criticus bij wie men vandaag zijn licht zou opsteken…”

Meer info op Melville House Books.  Het originele Spaanse artikel is hier te lezen.  (Via Harriet.)

Dirk Leyman en Hans Cottyn (ex-Papieren Mannen) in de recente DW&B:

“Parallel met de opkomst van blogs en sociale netwerksites werd ook het einde van de boekenbijlagen in de reguliere gedrukte media voorspeld. Vooral enkele jaren geleden was iedereen daarover intens aan het doemdenken. De boekenbijlage van The Washington Post verdween, de bijlage van de Volkskrant wist eerst niet goed waarheen maar maakte een comeback, de Los Angeles Times schrapte in 2008 zijn op zondag verschijnende aparte bijlage, en in de zomer 2011 zette dezelfde krant nog alle freelancerecensenten aan de deur. Het leek een kwestie van tijd of andere kranten en tijdschriften zouden binnenkort geen plaats meer inruimen voor een regelmatige literaire kritiek, en met de literaire kritiek zelf was ook van alles aan de hand.
‘Het is inderdaad een moeilijke zaak als je enkel naar de kranten kijkt, en bedenkt hoeveel meer tijd en ruimte er werd besteed aan boeken in het recente verleden’, zo zei Salman Rushdie in 2007 in een debat van de Amerikaanse National Book Critics Circle over de toekomst van de boekenbijlagen. ‘Veel kranten hadden de gewoonte om drie à vier keer zoveel plaats te bieden aan boeken dan ze nu doen. Voor jonge auteurs was het iets gemakkelijker om aan de bak te komen, omdat je toen nog bijna verzekerd was van recensieruimte.’”

“Er zijn nauwelijks vijf critici in Amerika en verschillende van hen liggen in slaap.” is een bekende uitspraak van Herman Melville. Het is tevens de opener van een stuk over de de boksmatch tussen twee literaire zwaargewichten: de bekroonde schrijver Jonathan Lethem versus de bekroonde criticus James Wood“. De eerste ronde begon met een essay van Lethem in de Los Angeles Review of Books getiteld “My Disappointment Critic,” waarin Lethem het over zijn woede heeft toen Wood zijn roman The Fortress of Solitude in de pan hakte.

In The Millions gaat essayist Sam Allingham dieper in op de problematiek schrijver-critcus. Hij schetst hun onderliggende motieven. Wat gaat er door een schrijver heen als een criticus zich aan het analyseren zet:

“The pain of the writer is that he has to sit still while the critic pokes through the vitals of his work and shows them to the audience. When the critical work is at its finest, the audience is like a crew of medical students standing around a doctor at work — even when we disagree with the way things are being handled, we can still see the body of evidence and draw our own conclusions. The process itself helps us learn; it adds to our understanding of literature as a whole. That is, if the body on the table would only stop complaining.”

Lees het interessante essay op The Millions.

Achille aan het woord

november 17, 2011

“Als boekbespreker neem ik rustig de tijd en de ruimte. In de regel vind ik de tekst die voor me ligt veel belangrijker dan mijn interpretatie ervan. Eigenlijk probeer ik het soort recensies te schrijven dat ik steeds meer mis in de gevestigde media. Aan de ene kant heb je de modieuze middlebrow recensiepraktijk à la De Morgen, die boeken afmeet aan vaag-esthetische criteria (trefwoorden: ontroering, stijl, verontrustend). Aan de andere kant heb je de verzamelplaatsen van de schijntheoretische hardliners, die woordkramers als Deleuze, Derrida e tutti quanti hele grote denkers vinden – reden waarom in elke paragraaf op zijn minst één referentie moet (trefwoorden: polyfonie, discours, autonoom). Achille is van de conservatieve stempel. Ik luister graag naar mensen, op papier toch, en als ze iets interessants te melden hebben, vertel ik dat even graag door.”

>> zegt “een drieëndertigjarige West-Vlaming met een fulltime job die niet relevant is voor wat hij online doet” – Achille van den Branden dus op het weblog van Anna van Gelderen.

Over De wolken:

Johan Velter & Marc Didden (in de wolken)

deReactor: Tien ergernissen (niet in de wolken)

Yves T’Sjoen op Versindaba (niet in de wolken)

Bert Van Raemdonck van Rekto:Verso  (in de wolken)

Fragment

“De gevoelloze emotie

We kunnen er niet onderuit: we beleven emotionele tijden.
Waar men ook kijkt, commotie is de norm, intensiteit de vorm. Niets ontsnapt aan de totale mobilisering van de gevoelens, niet de keuken, niet de leefkamer, niet de slaapkamer, en al helemaal niet de kelder, die sinds een nationale imagecatastrofe dit kakelende landje trof, definitief tot het terrein van de kindergruwel is vervallen, waar oude weckpotten inmiddels eerder aan ingemaakte ledematen dan aan in de zon geoogste vruchten doen denken. Wie een rustige dag heeft doorgebracht met, ik zeg maar iets, een goed boek, weet niet wat hij beleeft wanneer hij ’s avonds televisie kijkt: vertrokken gezichten, verkrampende handen, gierende stemmen, chaos en rumoer, de wereld in brand, en op het scherm liefst een anchorman met een beverig pruilmondje waarop het plaatsvervangende lijden, het mede-lijden, te glimmen staat als honing op een haring. Heeft hij dit over zich heen laten komen – inmiddels in het pijnlijke besef dat hij iets volslagen fouts heeft gedaan door afzijdig te zijn, in de waarlijke zin van morele Fragwürdigkeit, en dat boeken lezen inmiddels kan worden aangerekend als schuldig verzuim, omdat engagement in deze tijden alleen nog af valt te lezen aan de mate van nervositeit die iemand ontwikkelt wanneer hij de namen van in oorlog verkerende gebieden reciteert – dan krijgt hij vervolgens een aflevering van een soap te zien waarin huilen, tieren, elkaar afblaffen, pruillipjes in alle varianten, geile grijnzen, hoge schrikgilletjes en bewogen stemmen hem definitief gaarstomen voor een geëmotioneerde nachtmerrie over een of andere doodgereden hond die noodgedwongen zonder gepaste begrafenis de grond in moest.”

Lees verder op Athenaeum Boekhandel. Zie ook dit bericht.

Vroeger waren het schrijvers die elkaar naar het leven stonden. Tegenwoordig is het ego-vuur overgeslagen naar de recensenten:

Willem van Zadelhoff reageert op een aantijging van Mark Cloostermans op facebook:

“De Standaard der Letteren bedient een breed in boeken en literatuur geïnteresseerd publiek. De recensies zijn korter en dientengevolge ook minder diepgravend dan die van De Reactor. Daar is niets mis mee. Ze hebben beide bestaansrecht. Het is nu eenmaal een feit dat het medialandschap aan verandering onderhevig is. Dingen die vroeger in de krant vanzelfsprekend waren, zijn dat niet meer. Dat heeft natuurlijk veel met marketing en aanverwante zaken te maken. Dat Cloostermans De Reactor een hooghartige afkeer voor de klassieke media aanwrijft verbaast dan ook. Maar ja, ieder leest wat hij wil lezen. Daar is al heel wat behartigenswaardigs over geschreven in de psychologische handboeken.” (lees meer op Another fine mess)

Deze week maakte Lies Van Gasse ook al gewag van een ‘deontologie voor recensenten’:

“Als de recensent gaat dichten, dan worden de messen echter gewet. Nog voor De bloedplek verscheen, stond als bij verrassing een stuk over deze bundel op De Contrabas. Koenraad Goudeseune vond hier de close reading van één gedicht, ‘Lavoir’, weliswaar Demets’ lievelingsgedicht uit de bundel, voldoende om meteen zijn hele dichterschap met de grond gelijk te maken. Er is geen deontologie voor recensenten geschreven, maar als iemand daar ooit werk van maakt, dan draag ik met veel liefde de eerste regel aan: gij zult niet ongehinderd door enige kennis van zaken recensies schrijven. Een dichter steekt altijd veel meer tijd in zijn bundel dan de recensent in zijn vernietigende recensie. Die dichter verdient daarom mijns inziens op zijn minst een aandachtige lectuur.” (deReactor)

De boekensite van Knack pakt de laatste weken af en toe uit met ultrakorte, vernietigende recensies à la:

“Gelukkig hoeft u dit onding niet te kopen: download de gratis app, enkel voor het plezier hem weer te wissen. U zal zich nog nooit zo machtig gevoeld hebben.” (Over Gelukkig zijn we machteloos van Ivo Victoria. Knack)

%d bloggers liken dit: