De Spaanse krant El Pais publiceerde dit weekend een stuk onder de titel “wereldwijde crisis van de literaire kritiek”.  De redacteur interviewde ondermeer de boekenredacteur van The Guardian Claire Armitstead; essayist, uitgever en vertaler Eliot Weinberger; en Marie Arana, voormalige redactrice van The Washington Posts ter ziele gegegane Book World review.

Voor Eliot Weinberger bestaat de literaire kritiek zelfs niet meer in Amerika:

“De Verenigde Staten kennen geen literaire bijlagen zoals in Spanje en andere landen. Ze hebben slechts één belangrijk tijdschrift voor literaire kritiek: –The New York Review of Books. Er zijn geen gezaghebbende Amerikaanse critici meer, zoals in de jaren ’60, die verstaanbaar proza schreven dat iedereen kon begrijpen en die de literatuur een plaats gaven in de politieke, sociale en morele vraagstukken. De zogenaamde ‘ernstige’ literaire kritiek is vooral een zaak van academici geworden die in een gespecialiseerd jargon schrijven vanuit de overtuiging dat complexe gedachten alleen verwoord kunnen worden in hermetische zinnen…

Literaire kritiek is in de Verenigde Staten vernauwd tot ‘aanbevelingen’ die via recensies, blogs en Twitter tot ons komen. Prijzen zijn de standaard geworden om literaire verdienste te valideren, vooral voor hen die niet weten hoe die prijzen worden bepaald.  Ik ken geen enkele Amerikaanse criticus bij wie men vandaag zijn licht zou opsteken…”

Meer info op Melville House Books.  Het originele Spaanse artikel is hier te lezen.  (Via Harriet.)

Dirk Leyman en Hans Cottyn (ex-Papieren Mannen) in de recente DW&B:

“Parallel met de opkomst van blogs en sociale netwerksites werd ook het einde van de boekenbijlagen in de reguliere gedrukte media voorspeld. Vooral enkele jaren geleden was iedereen daarover intens aan het doemdenken. De boekenbijlage van The Washington Post verdween, de bijlage van de Volkskrant wist eerst niet goed waarheen maar maakte een comeback, de Los Angeles Times schrapte in 2008 zijn op zondag verschijnende aparte bijlage, en in de zomer 2011 zette dezelfde krant nog alle freelancerecensenten aan de deur. Het leek een kwestie van tijd of andere kranten en tijdschriften zouden binnenkort geen plaats meer inruimen voor een regelmatige literaire kritiek, en met de literaire kritiek zelf was ook van alles aan de hand.
‘Het is inderdaad een moeilijke zaak als je enkel naar de kranten kijkt, en bedenkt hoeveel meer tijd en ruimte er werd besteed aan boeken in het recente verleden’, zo zei Salman Rushdie in 2007 in een debat van de Amerikaanse National Book Critics Circle over de toekomst van de boekenbijlagen. ‘Veel kranten hadden de gewoonte om drie à vier keer zoveel plaats te bieden aan boeken dan ze nu doen. Voor jonge auteurs was het iets gemakkelijker om aan de bak te komen, omdat je toen nog bijna verzekerd was van recensieruimte.’”

“Er zijn nauwelijks vijf critici in Amerika en verschillende van hen liggen in slaap.” is een bekende uitspraak van Herman Melville. Het is tevens de opener van een stuk over de de boksmatch tussen twee literaire zwaargewichten: de bekroonde schrijver Jonathan Lethem versus de bekroonde criticus James Wood“. De eerste ronde begon met een essay van Lethem in de Los Angeles Review of Books getiteld “My Disappointment Critic,” waarin Lethem het over zijn woede heeft toen Wood zijn roman The Fortress of Solitude in de pan hakte.

In The Millions gaat essayist Sam Allingham dieper in op de problematiek schrijver-critcus. Hij schetst hun onderliggende motieven. Wat gaat er door een schrijver heen als een criticus zich aan het analyseren zet:

“The pain of the writer is that he has to sit still while the critic pokes through the vitals of his work and shows them to the audience. When the critical work is at its finest, the audience is like a crew of medical students standing around a doctor at work — even when we disagree with the way things are being handled, we can still see the body of evidence and draw our own conclusions. The process itself helps us learn; it adds to our understanding of literature as a whole. That is, if the body on the table would only stop complaining.”

Lees het interessante essay op The Millions.

Achille aan het woord

november 17, 2011

“Als boekbespreker neem ik rustig de tijd en de ruimte. In de regel vind ik de tekst die voor me ligt veel belangrijker dan mijn interpretatie ervan. Eigenlijk probeer ik het soort recensies te schrijven dat ik steeds meer mis in de gevestigde media. Aan de ene kant heb je de modieuze middlebrow recensiepraktijk à la De Morgen, die boeken afmeet aan vaag-esthetische criteria (trefwoorden: ontroering, stijl, verontrustend). Aan de andere kant heb je de verzamelplaatsen van de schijntheoretische hardliners, die woordkramers als Deleuze, Derrida e tutti quanti hele grote denkers vinden – reden waarom in elke paragraaf op zijn minst één referentie moet (trefwoorden: polyfonie, discours, autonoom). Achille is van de conservatieve stempel. Ik luister graag naar mensen, op papier toch, en als ze iets interessants te melden hebben, vertel ik dat even graag door.”

>> zegt “een drieëndertigjarige West-Vlaming met een fulltime job die niet relevant is voor wat hij online doet” – Achille van den Branden dus op het weblog van Anna van Gelderen.

Over De wolken:

Johan Velter & Marc Didden (in de wolken)

deReactor: Tien ergernissen (niet in de wolken)

Yves T’Sjoen op Versindaba (niet in de wolken)

Bert Van Raemdonck van Rekto:Verso  (in de wolken)

Fragment

“De gevoelloze emotie

We kunnen er niet onderuit: we beleven emotionele tijden.
Waar men ook kijkt, commotie is de norm, intensiteit de vorm. Niets ontsnapt aan de totale mobilisering van de gevoelens, niet de keuken, niet de leefkamer, niet de slaapkamer, en al helemaal niet de kelder, die sinds een nationale imagecatastrofe dit kakelende landje trof, definitief tot het terrein van de kindergruwel is vervallen, waar oude weckpotten inmiddels eerder aan ingemaakte ledematen dan aan in de zon geoogste vruchten doen denken. Wie een rustige dag heeft doorgebracht met, ik zeg maar iets, een goed boek, weet niet wat hij beleeft wanneer hij ’s avonds televisie kijkt: vertrokken gezichten, verkrampende handen, gierende stemmen, chaos en rumoer, de wereld in brand, en op het scherm liefst een anchorman met een beverig pruilmondje waarop het plaatsvervangende lijden, het mede-lijden, te glimmen staat als honing op een haring. Heeft hij dit over zich heen laten komen – inmiddels in het pijnlijke besef dat hij iets volslagen fouts heeft gedaan door afzijdig te zijn, in de waarlijke zin van morele Fragwürdigkeit, en dat boeken lezen inmiddels kan worden aangerekend als schuldig verzuim, omdat engagement in deze tijden alleen nog af valt te lezen aan de mate van nervositeit die iemand ontwikkelt wanneer hij de namen van in oorlog verkerende gebieden reciteert – dan krijgt hij vervolgens een aflevering van een soap te zien waarin huilen, tieren, elkaar afblaffen, pruillipjes in alle varianten, geile grijnzen, hoge schrikgilletjes en bewogen stemmen hem definitief gaarstomen voor een geëmotioneerde nachtmerrie over een of andere doodgereden hond die noodgedwongen zonder gepaste begrafenis de grond in moest.”

Lees verder op Athenaeum Boekhandel. Zie ook dit bericht.

Vroeger waren het schrijvers die elkaar naar het leven stonden. Tegenwoordig is het ego-vuur overgeslagen naar de recensenten:

Willem van Zadelhoff reageert op een aantijging van Mark Cloostermans op facebook:

“De Standaard der Letteren bedient een breed in boeken en literatuur geïnteresseerd publiek. De recensies zijn korter en dientengevolge ook minder diepgravend dan die van De Reactor. Daar is niets mis mee. Ze hebben beide bestaansrecht. Het is nu eenmaal een feit dat het medialandschap aan verandering onderhevig is. Dingen die vroeger in de krant vanzelfsprekend waren, zijn dat niet meer. Dat heeft natuurlijk veel met marketing en aanverwante zaken te maken. Dat Cloostermans De Reactor een hooghartige afkeer voor de klassieke media aanwrijft verbaast dan ook. Maar ja, ieder leest wat hij wil lezen. Daar is al heel wat behartigenswaardigs over geschreven in de psychologische handboeken.” (lees meer op Another fine mess)

Deze week maakte Lies Van Gasse ook al gewag van een ‘deontologie voor recensenten’:

“Als de recensent gaat dichten, dan worden de messen echter gewet. Nog voor De bloedplek verscheen, stond als bij verrassing een stuk over deze bundel op De Contrabas. Koenraad Goudeseune vond hier de close reading van één gedicht, ‘Lavoir’, weliswaar Demets’ lievelingsgedicht uit de bundel, voldoende om meteen zijn hele dichterschap met de grond gelijk te maken. Er is geen deontologie voor recensenten geschreven, maar als iemand daar ooit werk van maakt, dan draag ik met veel liefde de eerste regel aan: gij zult niet ongehinderd door enige kennis van zaken recensies schrijven. Een dichter steekt altijd veel meer tijd in zijn bundel dan de recensent in zijn vernietigende recensie. Die dichter verdient daarom mijns inziens op zijn minst een aandachtige lectuur.” (deReactor)

De boekensite van Knack pakt de laatste weken af en toe uit met ultrakorte, vernietigende recensies à la:

“Gelukkig hoeft u dit onding niet te kopen: download de gratis app, enkel voor het plezier hem weer te wissen. U zal zich nog nooit zo machtig gevoeld hebben.” (Over Gelukkig zijn we machteloos van Ivo Victoria. Knack)

Naar aanleiding van een poging om Heleen van Royen al lezend tot zich te nemen, stelt Leo van der Sterren zich de vraag of hijzelf ooit zijn literaire integriteit zou opofferen voor een commercieel succes. Zijn antwoord is een ferm ‘Neen!’ en wel hierom:

“De schrijver van Literatuur schrijft in de eerste plaats voor zichzelf en heeft helemaal niet zoveel behoefte om iets aan anderen mede te delen en als hij dat uiteindelijk toch wel doet of veinst te doen, dan op een gecodeerde en kunstige manier waardoor slechts een kleine minderheid van uitgekookte doorzetters het resultaat ervan zal kunnen doorgronden. Een literair werk verdient pas een hoofdletter als de belangstelling ervoor beperkt blijft tot een kleine, cultische groep van adepten – ja, een elite! – die sowieso tegen alle stromen in zwemt. Geen mens kan van Literatuur leven, laat staan dat iemand er een vermogen mee opbouwt.”  (Leo van der Sterren)

Het stond bijna letterlijk met zoveel woorden in de recente column van Ann De Craemer waarmee ze menig zeer teentje beroerde:

“(…) poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd. Dat is geen beschuldiging, maar een vaststelling. Poëzie lezen vereist geduld en concentratie – twee bedreigde eigenschappen in onze 3.0-tijden. Volgens Philip Roth zal romans lezen binnen vijfentwintig jaar “cultisch” zijn: alleen kleine groepen mensen zullen de nodige toewijding kunnen opbrengen. Vandaag is poëzie al cultisch; de roman zal volgen. De roman is een 19de-eeuwse uitvinding voor verveelde dames in salons die geen andere bezigheid hadden dan boeken lezen. Sindsdien is ons levensritme ingrijpend veranderd, en de letteren – ook gewoon producten onderhavig aan tijdsgeest en conjunctuur – dragen daarvan de gevolgen.”

Gedurende anderhalve maand berichtte Rutger H. Cornets de Groot op zijn facebookpagina over het essay Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk van Bas Heijne (Amsterdam 2011). RHCdG lanceerde daarmee een nieuw genre: de literaire FB-feuilletonkritiek. Alle facebook statusupdates die RHCdG schreef + de commentaren staan nu verzameld op zijn blog. Zijn besluit luidt als volgt:

“Maar Heijne heeft ook een heel andere bedoeling met zijn voorstelling van de ongrijpbare sociale, politieke, economische en culturele krachten die de eenling vermorzelen. Hij bereidt daarmee een conclusie voor die op en top humanistisch is. Hij zegt dat ook met zoveel woorden: ‘Wie echter de kleine, alledaagse verhalen tot zich laat komen, in zijn omgeving, in de krant, via de televisie of de computer, beseft dat de mens vooralsnog heel menselijk is’ (p. 98).

In mijn voorvorige bespreking van dit boekje had ik het over My Bed van Tracey Emin en over hoe dat op twee manieren geïnterpreteerd kon worden: 1) als een herneming van Warhols soepblikken (en Duchamps urinoir, enz.), waarbij de nieuwe context het object compleet verandert, dan wel 2) humanistisch als een volledige bekentenis van de mens achter de kunstenares. In dat laatste geval doet de nieuwe omgeving in museum of galerie er niet toe, maar blijft het bed wat het is en zou als authentiek, waargebeurd object de plek van een verkrachting van de kunstenares kunnen zijn (terwijl de kunstenares bij een niet-humanistische interpretatie kan ontsnappen en toch zichzelf volledig kan uitdrukken).

Tracey Emin, "My bed", 1998

Wat zegt Heijne nu? Dat ‘het enige wat de afgelopen decennia is veranderd de context [is] waarin romans geschreven worden’ (p. 98). Maar gevolgen voor de opdracht van de romanschrijver heeft dat niet; die blijft onveranderd: ‘Wat van [de romanschrijver] wordt gevraagd is dezelfde morele betrokkenheid bij de wereld die zijn grote voorgangers toonden’ (p. 99).

Ik vind het eigenlijk ongelooflijk dat dit boekje, van iemand die met zijn NRC-column zo bovenop de samenleving zit en mij in 2000 met zijn De wijde wereld enthousiast maakte voor een nieuwe tijd, zo eindigt. Het boekje maakt zijn ondertitel – ‘Literatuur in het mediatijdperk’ – op geen enkele manier waar. Die context wordt juist tot het uiterste gerelativeerd en de tijd wordt stilgezet om ruimte te maken voor een ‘morele betrokkenheid’, waarover verder trouwens niets wordt verteld.

De verdienste van Echt zien is dat het een klein overzicht geeft van hoe er momenteel door een aantal invloedrijke essayisten over literatuur wordt gedacht. Daarnaast heeft Heijne zijn eigen literaire helden, m.n. Couperus en Conrad, een plaats kunnen geven in een beschouwing over literatuur in onze tijd. Maar op literaire, filosofische en algemene gronden moet ik het om die regressie, die knieval aan het eind afwijzen.

Morele betrokkenheid is de laatste vluchtheuvel voor wie literatuur als een vaste waarde wil zien in een wereld die voortdurend in beweging is. Nu vertegenwoordigt literatuur ook een vaste waarde, maar natuurlijk alleen wanneer ze meebeweegt met die wereld, niet omdat ze van zichzelf zo leuk is en zo aardig, of omdat Cervantes en Couperus ooit zulke mooie boeken hebben geschreven. In het ‘mediatijdperk’ moet literatuur meemedialiseren; zo eenvoudig ligt de zaak, en daar zouden we het dan ook over moeten hebben, op Alphavillle bij voorbeeld, waar de compatibiliteit van literatuur met andere codes – film, hypertext, typografie – op even inspirerende als vooruitstrevende manier wordt nagegaan.”

Lees het volledige horizontale facebookfeuilleton op RHCdG.

De m(jam) van Mettes

november 3, 2011

Een Lampiaans essay van Astrid Lampe op Versindaba.

An De Craemer naar aanleiding van deze studie waarin enkele dichters tot de ‘verrassende vastelling’ komen dat poëzie niet verkoopt:

“De verklaring lijkt me simpel: poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd. Dat is geen beschuldiging, maar een vaststelling. Poëzie lezen vereist geduld en concentratie – twee bedreigde eigenschappen in onze 3.0-tijden. Volgens Philip Roth zal romans lezen binnen vijfentwintig jaar “cultisch” zijn: alleen kleine groepen mensen zullen de nodige toewijding kunnen opbrengen. Vandaag is poëzie al cultisch; de roman zal volgen. De roman is een 19de-eeuwse uitvinding voor verveelde dames in salons die geen andere bezigheid hadden dan boeken lezen. Sindsdien is ons levensritme ingrijpend veranderd, en de letteren – ook gewoon producten onderhavig aan tijdsgeest en conjunctuur – dragen daarvan de gevolgen.” (An De Craemer)

Literair visionair Guido Lauwaert voorspelde eerder deze week al de zwanenzang van de roman.

“(…) de teleurstelling die Heijne beschrijft komt mij maar al te bekend voor. Wanneer hij weerzin voelt aan het begin van een roman, ben ik nog steeds kinderlijk enthousiast, maar achteraf blijf ik meestal verweesd achter. Ik zie zelden het talent of de brille die uitgevers en recensenten mij beloofden. Omdat het geruststellend is te weten dat iemand anders daar ook mee zit, en omdat ik niet wil dat ik ooit met weerzin aan een boek moet beginnen, vind ik deze discussie over kunst en het essay van Heijne erg relevant.” op Apache.

Carel Peeters in Vrij Nederland nav de lezing Naar een nieuwe weerbaarheid. Literatuur in tijden van populisme, die Thomas Vaessens de afgelopen maand mei voor het Huis van de Kunsten Limburg heeft gehouden:

“Vaessens denkt dat alle literaire critici autoritaire imperialisten zijn die de lezers hun oordeel door de strot wringen. Vandaar dat hij niet weet dat die literaire critici helemaal geen last hebben van het ‘waarderelativisme’ dat Vaessens om zich heen ziet. Maar de postmodernisten die dat predikten hebben zich nooit meester kunnen maken van de literaire kritiek. De enige criticus die er wel eens last van had was Anthony Mertens, maar die kwam er op tijd van terug. Geen enkele Nederlandse criticus heeft er moeite mee om zijn waardeoordeel uit te spreken over wat hij heeft gelezen. Ook als het om ‘de intrinsieke waarde van literatuur’ gaat staat staan de critici niet met de mond vol tanden: Arnold Heumakers, Arjan Peters, Jeroen Vullings, Arjen Fortuin, Elsbeth Etty, Jacq Vogelaar, Marja Pruis, Graa Boomsma, Arie Storm, Pieter Steinz, Rob Schouten, geen van allen hebben ze last van waarderelativisme. Dat waarderelativisme bevindt zich alleen bij de literatuur- en cultuurwetenschappers. Die gaan langzamerhand tot de nieuwe wereldvreemden behoren.”

Lees het stuk op VN.

“Als er ook maar iets duidelijk wordt uit deze column dan is het Peters zelfbeeld: de onderwijzende criticus die precies weet (maar niet kan onderbouwen) wat goed is (kwalitatief hoogstaand) voor het klootjesvolk. Bah. Hij weigert in te zien dat zijn professie toe is aan een herdefiniëring van haar bestaansgrond en probeert krampachtig vast te houden aan oude alibi’s. De massa evolueert ondertussen.”

Ton van ’t Hof maakt zich druk over een ‘kwaliteitscolumn’ van Arjen Peters in de Volkskrant en vraagt zich tot besluit af of het eigenlijk wel interessant is om er zich druk over te maken. Op 1hundred1.

Lees de recensie van Pim te Bokkel, eerder verschenen in Awater. (zie ook dit overzicht)

Ilja Leonard Pfeijffer in NRC: kort, krachtig & glashelder :

“Ik wil Breivik niet verdedigen. Hij is een misdadiger. Evenmin is het mijn intentie om Wilders de verantwoordelijkheid in de schoenen te schuiven van meervoudige moord. Maar evenzeer als de daders van de aanslag op de Twin Towers ons hebben gedwongen na te denken over de gevaren van de ideologie van radicale moslims, dwingt Breivik ons om na te denken over de gevaren van de ideologie van radicale anti-moslims. En daarom is het gevaarlijk om hem af te schilderen als een psychopaat, omdat dat ons ontslaat van de plicht om na te denken. “

Jon Stewart in de Daily Show over Breivik, Christenen, links en rechts, conservatief en democratisch:  scherp, (helaas) hilarisch & to the point:

Vodpod videos no longer available.

July 27, 2011 – Rachel Weisz – The Daily Show W…, posted with vodpod

Beste Hugo Claus,

juli 13, 2011

“Als ik een redacteur van De Bezige Bij was, maakte ik in jouw naam een Twitter-account, en liet ik elke dag een paar van die korte notities los die in roodbruine inkt zijn opgenomen onder de pagina’s van De wolken. De weergave van die losse flodders is een geniale vondst van Mark Schaevers om een aantal bedenkingen, literaire probeersels en geestige oneliners, die je vaak zonder enige context in je werkcahiers en op smoezelige blaadjes hebt genoteerd, toch aan je lezers te kunnen meegeven. Sommige van die kernachtige overpeinzingen zijn zo ‘intrigerend-poëtisch’ dat nogal wat (jonge) dichters een arm zouden afstaan om óók zo nu en dan een dergelijke inval te mogen hebben. De tweets waarvan ik het meeste houd, luiden: ‘dromen over minestrone’, ‘God als lintworm. Scheidt stukjes hoop, geluk af in de vorm van fetuccini’, en (mijn absolute favoriet) ‘Het kan in een woud/het zal in een kist’. Soms beschreef je met een zinnetje of twee een komische situatie, een klein misverstand of een onnozel raadsel waarmee je je brein had gepijnigd: ‘Probleem van de week: mag ik mijn hamster wassen?’ Nu nog had je, met een medium dat je wellicht niet eens meer echt hebt gekend, gemakkelijk een groot aantal followers kunnen begeesteren.

Psycholoog, biograaf, advocaat, professor of tweeter: er is voor ieder wat wils in De wolken. Maar wat al die lezers (en vooral ook alle anderen) met elkaar gemeen hebben, is dat ze allemaal verlangen dat als jouw naam op de cover van De wolken staat, jij ook hebt geschreven wat er in dat boek te lezen valt. En dat je woorden dus ook worden weergegeven zoals jíj ze hebt geschreven. Daar wringt er toch een schoentje.”

Bert Van Raemdonck van Rekto:Verso duidelijk in de wolken met de postume Hugo Claus.

Nolens op Versindaba

juli 12, 2011

“Blijf dicht bij jezelf, spreekt de dichter zichzelf toe, en sluit het wereldnieuws in kranten en op de radio zoveel mogelijk buiten: ‘Zet je radio, je laptop, je televisie niet aan,/ Maak van je ogen en oren geen ramptoerist.’

Maar met die oproep tot buitensluiting van de wereld, heeft Nolens haar tegelijk het gedicht in gehaald. Waarmee hij zich ook in de aanhoudende discussie over straatrumoer in de poëzie begeeft. Een onderwerp waarover hij zich al vaker uitliet – bijvoorbeeld in het oudere gedicht ‘Engagement’: ‘Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?’”

Janita Monna over Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen van Leonard Nolens. Verscheen eerder in Trouw, nu op Versindaba.  (zie ook hier en hier).

“De zelfmoord van Jeroen Mettes een jaar later raakte me ook om een andere reden. Mettes was de achtste in een reeks van zelfmoorden van jongere getalenteerde muzikanten, kunstenaars en schrijvers die in Den Haag woonachtig waren (waarvan er een, Menno Assies, als twee druppels water op Samuel Vriezen leek, reden dat ik vaak niet van zijn hoed af kon blijven). Samensteller Piet Joosten drukte me eerder op het hart dat dit weinig verband kon hebben: Jeroen Mettes had niet veel op met die stad. En toch herken in dit boek iets van dezelfde zelfkant, de desillusie, het soms snoeiharde cynisme, die ik er vroeger ook bij de stichting Maldoror meemaakte. Een stad zegt niet alles over het karakter van een individu en Mettes was wat literatuur betreft tien keer zo begaafd en geleerd als de andere slachtoffers, ook al is hij met zijn alfabet niet verder dan de G gekomen. Het gebrek aan uitzicht op een bestaan als kunstenaar – ook ruim voor de huidige bezuinigingen – is in Den Haag evenwel tekenend.”

Lees het persoonlijke verhaal van Erik Lindner naar aanleiding van het Nagelaten werk van Jeroen Mettes op De Groene Amsterdammer.

Meer Mettes verzameld onder deze link.

“Maybe it’s more interesting to see Rilke’s work as not as virginal, not as ethereal, as it seems to many readers. After all, like the majority of literary modernists, he is an antimodern; one of the main impulses in his work consists of looking for antidotes to modernity.” Adam Zagajewski’s introductie tot een vertaling van Rilke.

%d bloggers liken dit: