Geld (Traktaat)

december 29, 2013

Geld

Eindelijk rolt het geld nu netjes in een baan om de aarde.

Ben ik blij dat ik niet leef in de tijd van de Big Bang met dat gekmakend gerinkel van op hol geslagen geld in de atmosfeer. Dag en nacht vlogen de muntstukken tegen elkaar op. Een ijzeren mistral op wereldschaal.

Ik voorspel: nog sneller zal het snelle geld zich voortbewegen in zijn baan om de aarde. Een zilveren cirkel omsluit ons leven.

Tik toch uw code in.

We zijn maar vier digits verwijderd van een onzichtbaar hangslot om de evenaar.

© Jan Pollet, Traktaten.

Interpretatie

De vraag is niet ‘Hoeveel kleuren heeft de regenboog?’
De vraag is ‘Zie ik de regenboog die u ziet?’
Ik zie de regenboog niet.
U?

©Jan Pollet (Traktaten)

Timing

Wat zie ik in de verte?
de doem van de nabijheid.

Ik strek mijn benen
en trommel tegen een vers glas ijs.

Ik verbrand mijn lippen
aan de bevroren situatie.

Snelheid is getrouwd met traagheid.
Samen komen ze de dag door.
Elk op hun manier geven ze een arm.

Als jij de maan was en ik de zon
dan zouden we onze cirkels
met schaduw overgieten
om altijd bij elkaar te zijn.

© Jan Pollet, Traktaten

Beste poëzie van 2013

december 22, 2013

Beste poëzie van 2013
Alle gedichten uit Liederen van een kapseizend paard van Els Moors.
Het Balanseer Uitgeverij

Tweede beste poëzie van 2013
Vrijwel alle gedichten uit Wit is beter in kleur van Jan Pollet.
Uitgeverij Stanza | Stanza Press

Nieuwjaarswensen (étude)

december 22, 2013

wens3In the meantime.

 

Studie in nieuwjaarswensen #1

december 21, 2013

wens1

Hier te vinden

Verandering (2)

december 20, 2013

Verandering (2)

Wentelen bevalt me. Ik kan ermee om.
De onjuistheden van gisteren blijken vandaag juist te zijn.
Morgen zullen ze weer even onjuist zijn als eergisteren.
Of ongeveer even onjuist.

Vroeger  was ik een zee. Mensen denken dat dat leuk is.
Ja, omdat ze het zelf niet moeten zijn.
Rivieren zijn duizend keer leuker om te zijn.
Zo kom je nog eens ergens. En je doet je nooit pijn.

Rivieren hebben hun eigen schatkamer gegraven en gevuld.
Met zichzelf.

Raar.
Moeder natuur?

©Jan Pollet (uit ‘Traktaten’)

Klank

Er is weinig reden om te beweren dat ruis meer zou zijn dan ruis.
Ik vind wind wind.
Een do rood.
Een re glas.
Een mi poolwind.
Een fa een contract.
Een sol een trage boor.
Een la enzovoort.
Een si klimop. Ga door.

De kosmische winden produceren geen muziek.
Het heelal is een orgel zonder pijpen en God blaast lucht in een melodie die alleen engelen begrijpen.

Waarom doet ruis aan verlatenheid denken?

Eén twee drie ik weet het nie.

©Jan Pollet

Verandering (1)

Het voorwerp is meerhoekig. Dat ziet iedereen wel.
De hersenen zijn donker en het denken van één mens is te dom om hoek na hoek in een denkbeweging op te nemen.  Dit zou werk voor generaties betekenen die op hun beurt subproblemen uitbesteden aan filosofen zonder broodwinning.  En dan mag er nog geen oorlog uitbreken of ’t is allemaal vergeefse moeite geweest. Niets is vergeefs. Als je dat maar weet soldaatje. Er komt geen eind aan de multiplexe existentie. Als er iets eeuwig is, dan wel de ontdekking van weer een nieuwe hoek van het probleem, een nieuw facetje van het fenomeen. Weet je, eenvoud mag tot de meest complexe structuren gerekend worden. Maar je doet er mee wat je wil.
Ik heb vandaag een brief geschreven waarin ik een fout voorzichtig goed praat. Ik liet belachelijk veel licht vallen op een miniscuul juist stukje van het verhaal in de hoop dat het foute deel door de schaduw zou overwoekerd worden. Alles kan een onverwachte wending aannemen. De lezer kan mijn brief precies omgekeerd lezen en dus de fout in al zijn glorie voor het voetlicht zien treden.

Als men iets wil verbergen laat men het beter onbedekt. Graag wou ik uw aandacht hierop vestigen.

© Jan Pollet

And the story goes on…

december 18, 2013

 

 

Ergens in de Provence

provence1

Traktaat over het licht

december 17, 2013

Licht
Misschien is duisternis ‘licht op de tast’, maar ik denk het niet.
Een grashalm weet meer over licht dan ik en jij
wij die de blinde nakijken.

Zonder licht zou ik de wereld alleen met de handen kennen
of van horen zeggen.
Zijn de handen dom?  Dommer dan de wimpers?
Oogleden trekken een eclips tussen mij en de wereld.
Wat ik zie moet een razendsnel beeldhouwwerk zijn  van de zon.

De bron is de zon zeg je spontaan.  Ja misschien
is de zon de zaklamp van de aarde.
Ik voel me flink off the record in deze passage.
Het licht flirt en fladdert rond.  Het is overal.
Een wijnglas om het op te vangen graag.

Kleuren, gezanten van het licht. Trompetten van de zon.

Van het licht naar de dood is een kleine dwingende stap.
Als kleine  jongen sloeg ik op zomerdagen de zonnestralen gade.
Wist ik veel dat het éénvaksbanen  waren naar een tijdloos continent.

Mist is de substantie waaruit de dampkring is gemaakt.
Een penseel van oude regendruppels sluit zich rond onze aarde.
Blauw is de kleur van de eerste regen.
Het licht dat er doorbreekt steekt juichend de armen omhoog.

De dag komt blind ter wereld,
stapt in een pak van heet zand door het leven.  O Alice.

Het licht springt op groen, je kan overal naartoe.
Waarom zou je overal naartoe gaan? Is dat interessant?
Moeilijk te zien vanaf hier. Het denken steekt het kruispunt over, met klassieke haast.
Soms geef ik eens toe aan een elegante omschrijving.
Als de zon schijnt maakt zich een aangeboren droom van je los die de gevels beklimt terwijl je verder loopt.

Je wordt als dichter geboren. Is dat zo?
Wie in het duister zijn hand uitsteekt moet op niet veel hopen.

©Jan Pollet

Plik (sprookje)

december 15, 2013

Ik had niets anders verwacht maar ja ik ben dan ook al 86 jaar de geheime raadsman van Plik.
Een staatsgreep is nooit gepleegd zonder mijn interessant geknik of mijn afkeurende blik, want ja Plik vroeg wel altijd mijn oprechte mening maar hij ging er niet systematisch mee aan de slag.

Er zat geen systeem in Plik. Dat maakte hem wel boeiend hoor, zolang je in leven bleef want Plik was wel de man die na een innemend lunchgesprek opeens tegen zijn lijfwacht kon zeggen: “En nu zijn kopje eraf.”
Zie je, toch wel een akelig geval, keizer Plik. Eén van de grote wonderen van dit bestaan is het feit dat ik na 86 jaar dienst nog altijd tot de levenden behoor. Anderen hadden zich in mijn plaats al lang dood gebibberd van schrik of een laf zelfmoordje gepleegd.

We zouden tot de slotsom kunnen komen dat ik alle trekken van de geboren held bezit en dat zouden we maar beter doen. Ook. Ik vond geen gepaste plaats voor het woord ‘ook’. Daarom plaatste ik het in een geïsoleerde positie. Ik hoop dat u daarmee kunt leven, met die gemakkelijkheidsoplossing. Gelukkig hoef ik deze tekst niet meer te herlezen want dan zou ik de volgende nachten wakker liggen van de juiste positionering voor ‘ook’. U kan het niets schelen, dat heb ik wel door, maar mij zou het een doorn in het oog blijven zijn. Leven. Nog zo’n woord dat ik geen deftige plaats kan toewijzen. En torso. Maar dat zijn ze dan ook, mijn solitaire woorden. Voor de rest lopen mijn zinnen naar behoren. Zeg is dat niet tenenkrullend, dat stilistische geflashback? Of hemeltergend? Ik geef toe ik heb geen inhoud. Wel heb ik sinds mijn geboorte een huidkwaal die mij kwelt.

Ik moet hier een paar punten op een paar i’s zetten. De echte kwelling begon pas rond mijn vijftiende. Meisjes. En een slechte huid hebben. Probeer die twee thema’s maar eens in een aantrekkelijke zin te krijgen. In de bossen was het altijd koel in de zomer waardoor ik er vaak vertoefde. Alleen. En met mijn jeuk. Hier riepen ze ook niet ‘Indiaan’ of ‘Lepreus’ van de overzijde van de straat. Een feit dat bijdroeg tot mijn levensvreugde. Bossen zijn privévertrekken voor asocialen en veroordeelden. Normale mensen vindt men eerder terug aan zwembaden, op terrassen en onder parasols. Waar men de torso’s ontbloot waarom niet.

Voor bomen heb ik veel respect om nog eens terug te komen op mijn bosverhaal. Ze ondergaan hun sedentaire lot met edele gelatenheid. Wie interesseert zich hier eigenlijk voor? Waarom zit ik me zo te vermoeien met een thematiek die geen hond wat kan schelen. Bomen. En dan? Huidziekten. So what? Geen succes bij de meisjes. Wie niet?

‘Zo zie ik de film voor me’, zei ik tegen Twopi die bedachtzaam in zijn expresso zat te roeren voor zover je een geconcentreerd vingerhoedje cafeïnevocht kon zitten omwoelen om je kritische bedenkingen kracht bij te zetten.

(Wordt vervolgd)

©Jan Pollet

And the story goes on…

december 11, 2013

…. on Toofisme

1498790_10202883513469594_1049029918_o

“…

En dat een heel klein meisje ergens
in dit huis een grote boom met vogeltjes en slingers en ballonnen
in de bladeren zal tekenen en zeggen deze geef ik
aan Mandela als ik in de hemel ben.”

© Alfred Schaffer. Kaapstad, 6 december 2013

(…)
Ik wist het niet maar 24 uur staan fotografen klaar om toe te slaan
en het is hartje winter in Pretoria – hoe ruikt het daar
hoe klinkt het gonzen van het kunstlicht
als de avond valt, het bliepen van de apparaten
die je anoniem maar liefdevol van voedsel en van lucht voorzien.
(…)

Alfred Schaffer, Nkosi sikelel’ iAfrika

Eugene_SAVITZKAYA_photo_Boris_Lehman-2“Vreemd genoeg heb ik me nooit geïnteresseerd voor het spel met de taal. Schrijven deelt dezelfde zorg als beeldhouwen, schilderen, muziek componeren, films maken, meubels maken of, zoals vroeger, klompen (zoals de film van Alain Cavalier over de klompenmaker die populierenhout in klompen omzet), een muur metsen, een dak leggen, een lapje grond met de hark of de spade bewerken, aardappelen telen of kleren maken: er het beste van maken. Al deze activiteiten zijn evenwaardig. Ik zet de technische en spirituele inspanningen op dezelfde lijn, zelfs als elke kunstvorm een dosis spel toelaat en een zekere humor vereist van de maker tegenover zichzelf en tegenover hen aan wie hij zich richt. ”

In Mongolie, plaine sale staat expliciet dat u enkele boeken hebt geschreven en dat u er geen enkele van verloochent. Op welke manier zou e vraag van een verloochening kunnen spelen?

Men kan niets uitwissen van wat men heeft durven tot stand brengen.

Interview met de Luikse dichter Eugène Savitzkaya.

cover-kapseizend2oh mijn moeder
en haar wonderlijke woestijnkleuren
morgen schuift ze op
tot ze schaduw heeft gevonden

rijgt ze me aaneen

uit water bloemen
glas en ramen
en het devote kraken
van haar knieën

thee moet uit bladeren
worden getrokken en tranen
op hun beurt uit thee

het leven dat ik in de echte wereld leid

een geheim dat ze me nog
toevertrouwen zal

Els Moors, ‘Liederen van een kapseizend paard’ (via Avondlog)

Uitgegeven bij Het Balanseer.

Lou Reed: You should hear my first record! No, I mean the 45! (“Lever For Me”/ “So Blue” by The Lades, at age 14)

Paul Auster: I can imagine. Everyone starts out…

Lou Reed: You know what is funny about that? There is a Velvet Underground compilation that is out, that should be pretty good, and on it, apparently, because I haven’t listened to it, is a very, very early tape of us at the very beginning. And I’ve seen in print, people say, ‘It’s unbelievable. Their writing and sound is so derivative of other people’. And my response to that is, ‘Everybody has to start somewhere’.

Paul Auster: It’s absolutely true, and I can even go further than that. Having taught writing, for my sins…

Lou Reed: Where?

Paul Auster: …at Princeton, back in the ’80s. I did that for about five years. Now, I always felt that the most talented kids were the ones who were turning in the worst work. If I saw a 20 year-old student able to turn out something that looked like a John Cheever story with a certain degree of power and accomplishment, I realised there was no hope for that person, because he had already limited his horizons, he wasn’t pushing the boundaries, he wasn’t testing himself, he wasn’t trying to do something new, he was just regurgitating what he felt his elders wanted from him. And the kids that were all over the place and taking risks and blundering about; those were the ones I had hope for. You know, too much early accomplishment is not a good thing. I don’t think you develop.

Lees het fantastische interview op Dazed Digital.

Droomstart

“De nachten zijn het ergst. Verderop de laatste boerderijen
maar alles is al onherkenbaar zelfs mijn eigen stem niets
er klopt helemaal niets meer van – wat bestaat lijkt plotseling
superdichtbij en gedocumenteerd, het water in de slootjes
de wind door het kniehoge gras, de zuigende aarde
en dat paard daar volgens mij is dat een paard. (…)”

Alfred schaffer

Lees het volledige gedicht op + interview op Versindaba.

%d bloggers liken dit: