Een ernstig geval van Richard Minne. Over Monomeer van Daniel Dobbelaere

augustus 30, 2013

Op 30 mei verscheen de dichtbundel Monomeer van Daniel Dobbelaere.
Ik sprak de volgende woorden bij de presentatie in de KASK in Gent:

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERAOoit zei Richard Minne over zichzelf: ‘Ik ben een schouw die niet goed trekt.‘ Het verzameld dichtwerk van de Oost-Vlaamse toppoeët haalde dan ook net niet de 150 pagina’s. Wat dan te zeggen van Monomeer: deze publicatie van goed en wel 55 paginaatjes heeft gedurende anderhalf decennium liggen sudderen, broebelen, gisten en tegensputteren in alle hoeken en kanten van de Reigerstraat nummer 3 te 9000 Gent. Over een schouw die niet goed trekt gesproken. Ik denk dat we hier zonder overdrijven mogen gewagen van een ‘ernstig geval van Richard Minne’.

Alhoewel. Soms vraag ik me af of het niet eerder om een vergevorderd geval van boekbindingsangst gaat dan om een gebrek aan ‘trok’ in de schouw. Zo vierkant uw voeten vegen aan de wetten van de moderne productiviteit! Zo ostentatief antimarketing zitten doen door uw eerste uitgeverij ‘De Roerloze Rups’ te noemen! Zo hoogmoedig de bruine kroeg van Mark Zuckerberg elke dag weer voorbijlopen! Zo alles in het werk stellen om je uit de markt te prijzen!  Wijst dat alles niet meer naar een problematische relatie met het realiseren van dingen, een gebrek aan dadendrang? denk ik wel eens in een onbewaakt freudiaans moment.

Als we het privé-woordenboek van Daniel Dobbelaere zouden openslaan dan zouden we bij het woord ‘deadline’ lezen: ‘Lelijk anglicisme voor een pretentieuze ingreep in de tijd.’ Bladeren we vervolgens door naar het woord ‘tijd’ dan zouden we daar lezen: ‘synoniem van  ‘zee’; en bij het woord ‘zee’ zou er staan: ‘veel en onuitputtelijk.’

Ik ken niemand die zo een ongecompliceerde relatie heeft met de tijd als Daniel Dobbelaere.
Ik ken ook niemand die zo ongevoelig is voor de waan van de dag als Daniel Dobbelaere.
En ik ken geen Vlaamse schrijver op wie Mark Zuckerberg zo weinig vat heeft als Daniel Dobbelaere.

Ik ga nu een onopvallende overgang maken van het onvatbare onderwerp Daniel Dobbelaere naar het preciese raderwerk van Monomeer.

Eerst een algemene karakterisering ten behoeve van de potentiële koper:

“Humor en het existentiële, tussen die twee polen slingeren zich de gedichten van deze traagbloeier. Niet voor niets maakte hij ooit een bundeltje op 1 exemplaar met de titel ‘Geduchten’, één-regelige hypergecondenseerde gedachten die vanuit een grap of een absurde bedenking vertrokken en tot een zweem van waarheid transformeerden. Huiverig als hij staat tegenover éénlijnigheid, heeft ‘Monomeer’  een polyfoon karakter. Sommige gedichten hebben een bijna plechtstatige boventoon, bij anderen ligt de speelse ironie er dik bovenop.”

Laten we nu afdalen naar wat er achter de polyfonie, de speelsheid en de ironie steekt. Volg mij achter de coulissen.

Monomeer is op het mystieke af

Het ‘al’ dat zich weerspiegelt in het ene, of het ene dat het ‘al’ in zich verenigt: het is grofweg de kern van alle mystiek. Een druppel, een bladje op het water, meer heeft een mysticus niet nodig om het universum samen te vatten. In het kleinste detail openbaart zich de samenhang van alles, beter gekend als ‘God’. Naar deze man wordt al eens monkelend verwezen in Monomeer als ‘Baas van het licht’ of ‘baas zonder knecht’.
Monomeer: in de titel is het spel van het enkelvoudige (het mono) en het multipele (het meer) al aanwezig. Referenties naar het ‘al’, ‘het geheel’ komen te vaak voor om toeval te zijn. “Het geheel rust uit in zijn voorval.” En elders klinkt het  “De samenhang staat/ in de bloei van het wezen”

Vreemd toch, om in deze tijd de notie van een samenhangend geheel op te rakelen. In deze bij uitstek gefragmenteerde tijd. De zoektocht – of de gespeelde zoektocht – naar de essentie manifesteert zich trouwens ook in het theoretisch werk van Daniel Dobbelaere. Op dit ogenblik is hij bezig met een studieproject over het boek als allesomvattende waarheid. Kunnen we de essentie in één boek samenbrengen door de juiste fragmenten uit te kiezen?
Ik ken niemand die zo een gecompliceerde relatie heeft met het boek als Daniel Dobbelaere.
Monomeer is op het kinderlijk af
OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Doorheen de zelfspot,  de relativeringen en de plots afgebroken diepzinnigheden klinkt het onderdrukt verlangen naar een kinderparadijs. Kinderlijke spelletjes met klank en betekenis zijn een correctief op het grote IK dat zich aan de geschiedenis ontworsteld heeft en voorgoed aan zichzelf is overgeleverd.
“Het uiterst helder kleine kind” lezen we in één van de gezingedichten.

Alles baadt in een sfeer van verlaten zijn. Door de vele taalspelen heen schemert de hunker naar bescherming en geborgenheid. Maar het veilige cocon is niet van deze wereld. De bundel zet verrassend religieus in met een beeld van de ons allen zo bekende kerststal maar aan het eind van het gedicht is de mens al aan zichzelf overgeleverd als de ‘knecht zonder meester’. De mens is op de aarde geworpen zonder gebruiksaanwijzing.

In een interview zei de dichter het als volgt: “Een normaal mens wordt langzaam verpletterd door de wan-hoop, de meedogenloze absurditeit van dit leven. Maar sinds Camus zegt die mens ja tegen het leven. We moeten ons niet laten doodkittelen. Een gedicht is steeds een statement, een verzet-je. En altijd een evenwicht zoeken tussen (taal)spel en (levens)ernst. Ik hou niet van poëzie die gebukt gaat onder te veel sérieux of van te evidente ‘open-en-bloot-poëzie’. Charles Olson verwoordde het mooi en lapidair: ‘Poetry is dancing sitting down.’ – ‘Poëzie is dansen terwijl je neerzit’

Monomeer is een slimme cirkel
Een bevreemdende reis die begint bij het ik en via de tastbare aarde en het abstracte heelal uitmondt in een jij die ‘een echte god’ blijkt te zijn ‘een schil van woorden/op maat van de gedachte ‘ (p 55).  ‘Je begin is perceptie’ – ‘Je bent een kooi van verlies’ zijn de slotakkoorden van een meerstemmige partituur.

Schalks, dartel, maar ook schurend langs de rand van de wrangheid. Het leven wordt tegemoet getreden met de onderzoekende blik van de taalchirurg. Sommige ingrepen leggen de organen bloot: die levende verborgen oorzaken van de zichtbare vorm. Voorwerpen en situaties worden uit elkaar gehaald en weer in elkaar geprutst met het alaam van de taalknutselaar.
Alles in een soepele taal met sporen van iets stokouds. Als een wiel dat lekker hapert.

De realiteit dient zich niet visueel aan. Eerder zien we dingen door een collage van fragmenten, klanken en woorddelen. De taal wordt gehanteerd als scalpel om de gevoelens, de dromen en de ontgoochelingen te fileren. Ik zei ‘ontgoochelingen’ maar dat was een uitschuiver. Alles in Monomeer is doordrenkt van een ironisch/licht cynisch aanvaarden van mens, geschiedenis en maatschappij.

De dichter flaneert langs het strand van het verstaanbare, steeds in twijfel of hij de volle zee moet kiezen van zijn eigen idioom. Semantisch goochelen is zijn eeuwige drive. Zou hij durven, denk ik vaak al lezend, onverstaanbaar worden? Het netwerk van labyrintische taalpaden vlecht zich bij momenten gevaarlijk dicht. Wie Daniel Dobbelaere leest moet meelaveren tussen zijn vrees voor de ernst en zijn hang naar het orakel.

Toen ik het laatste gedicht had gelezen en het boek nog halfopen in de handen hield  schoot me opeens het volgende beeld te binnen:

Ik kijk door een verrekijker. Ik zie een magere gestalte wandelen langs een eindeloos strand. De zee kabbelt rustig op en af. De gestalte blijft staan. Staat opeens voor een diepte. Daalt erin af en trekt, op de terugweg, de bodem met zich mee. Als hij zijn tocht vervolgt lijkt het van hier af alsof de afdaling nooit heeft plaatsgevonden. Alsof er geen diepte is geweest. Het strand ligt weer strak en onaangeroerd.

Een reis door tijd en ruimte die nooit was, met dat gevoel klapte ik Monomeer dicht. Een perfecte cirkel met duizend ingangen. Gesloten en zo lek als een zeef. Lichtvoetig en schurend. Helder en duister. Diep en oppervlakkig en altijd juist precies. Pijnlijk Pietje precies.
En ik wil graag nog eindigen met een vers van Gerrit Kouwenaar.

“ja ik geloof in de vooruitgang
en in het wrakhout langs de oevers
het zal nooit brood regenen
als peperduur staal overvloedig
de woorden zullen steeds als een koekoeksklok zingen
vóór hun betekenis, ja
ik geloof in de vooruitgang
maar de wereld zal altijd stilstaan.”

Gerrit Kouwenaar, de stem op de derde etage – 1960

Monomeer is verkrijgen bij Zegwerk of bij Boekhandel De Limerick in Gent.

©Jan Pollet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: