Op 30 mei verscheen de dichtbundel Monomeer van Daniel Dobbelaere.
Ik sprak de volgende woorden bij de presentatie in de KASK in Gent:

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERAOoit zei Richard Minne over zichzelf: ‘Ik ben een schouw die niet goed trekt.‘ Het verzameld dichtwerk van de Oost-Vlaamse toppoeët haalde dan ook net niet de 150 pagina’s. Wat dan te zeggen van Monomeer: deze publicatie van goed en wel 55 paginaatjes heeft gedurende anderhalf decennium liggen sudderen, broebelen, gisten en tegensputteren in alle hoeken en kanten van de Reigerstraat nummer 3 te 9000 Gent. Over een schouw die niet goed trekt gesproken. Ik denk dat we hier zonder overdrijven mogen gewagen van een ‘ernstig geval van Richard Minne’.

Alhoewel. Soms vraag ik me af of het niet eerder om een vergevorderd geval van boekbindingsangst gaat dan om een gebrek aan ‘trok’ in de schouw. Zo vierkant uw voeten vegen aan de wetten van de moderne productiviteit! Zo ostentatief antimarketing zitten doen door uw eerste uitgeverij ‘De Roerloze Rups’ te noemen! Zo hoogmoedig de bruine kroeg van Mark Zuckerberg elke dag weer voorbijlopen! Zo alles in het werk stellen om je uit de markt te prijzen!  Wijst dat alles niet meer naar een problematische relatie met het realiseren van dingen, een gebrek aan dadendrang? denk ik wel eens in een onbewaakt freudiaans moment.

Als we het privé-woordenboek van Daniel Dobbelaere zouden openslaan dan zouden we bij het woord ‘deadline’ lezen: ‘Lelijk anglicisme voor een pretentieuze ingreep in de tijd.’ Bladeren we vervolgens door naar het woord ‘tijd’ dan zouden we daar lezen: ‘synoniem van  ‘zee’; en bij het woord ‘zee’ zou er staan: ‘veel en onuitputtelijk.’

Ik ken niemand die zo een ongecompliceerde relatie heeft met de tijd als Daniel Dobbelaere.
Ik ken ook niemand die zo ongevoelig is voor de waan van de dag als Daniel Dobbelaere.
En ik ken geen Vlaamse schrijver op wie Mark Zuckerberg zo weinig vat heeft als Daniel Dobbelaere.

Ik ga nu een onopvallende overgang maken van het onvatbare onderwerp Daniel Dobbelaere naar het preciese raderwerk van Monomeer.

Eerst een algemene karakterisering ten behoeve van de potentiële koper:

“Humor en het existentiële, tussen die twee polen slingeren zich de gedichten van deze traagbloeier. Niet voor niets maakte hij ooit een bundeltje op 1 exemplaar met de titel ‘Geduchten’, één-regelige hypergecondenseerde gedachten die vanuit een grap of een absurde bedenking vertrokken en tot een zweem van waarheid transformeerden. Huiverig als hij staat tegenover éénlijnigheid, heeft ‘Monomeer’  een polyfoon karakter. Sommige gedichten hebben een bijna plechtstatige boventoon, bij anderen ligt de speelse ironie er dik bovenop.”

Laten we nu afdalen naar wat er achter de polyfonie, de speelsheid en de ironie steekt. Volg mij achter de coulissen.

Monomeer is op het mystieke af

Het ‘al’ dat zich weerspiegelt in het ene, of het ene dat het ‘al’ in zich verenigt: het is grofweg de kern van alle mystiek. Een druppel, een bladje op het water, meer heeft een mysticus niet nodig om het universum samen te vatten. In het kleinste detail openbaart zich de samenhang van alles, beter gekend als ‘God’. Naar deze man wordt al eens monkelend verwezen in Monomeer als ‘Baas van het licht’ of ‘baas zonder knecht’.
Monomeer: in de titel is het spel van het enkelvoudige (het mono) en het multipele (het meer) al aanwezig. Referenties naar het ‘al’, ‘het geheel’ komen te vaak voor om toeval te zijn. “Het geheel rust uit in zijn voorval.” En elders klinkt het  “De samenhang staat/ in de bloei van het wezen”

Vreemd toch, om in deze tijd de notie van een samenhangend geheel op te rakelen. In deze bij uitstek gefragmenteerde tijd. De zoektocht – of de gespeelde zoektocht – naar de essentie manifesteert zich trouwens ook in het theoretisch werk van Daniel Dobbelaere. Op dit ogenblik is hij bezig met een studieproject over het boek als allesomvattende waarheid. Kunnen we de essentie in één boek samenbrengen door de juiste fragmenten uit te kiezen?
Ik ken niemand die zo een gecompliceerde relatie heeft met het boek als Daniel Dobbelaere.
Monomeer is op het kinderlijk af
OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Doorheen de zelfspot,  de relativeringen en de plots afgebroken diepzinnigheden klinkt het onderdrukt verlangen naar een kinderparadijs. Kinderlijke spelletjes met klank en betekenis zijn een correctief op het grote IK dat zich aan de geschiedenis ontworsteld heeft en voorgoed aan zichzelf is overgeleverd.
“Het uiterst helder kleine kind” lezen we in één van de gezingedichten.

Alles baadt in een sfeer van verlaten zijn. Door de vele taalspelen heen schemert de hunker naar bescherming en geborgenheid. Maar het veilige cocon is niet van deze wereld. De bundel zet verrassend religieus in met een beeld van de ons allen zo bekende kerststal maar aan het eind van het gedicht is de mens al aan zichzelf overgeleverd als de ‘knecht zonder meester’. De mens is op de aarde geworpen zonder gebruiksaanwijzing.

In een interview zei de dichter het als volgt: “Een normaal mens wordt langzaam verpletterd door de wan-hoop, de meedogenloze absurditeit van dit leven. Maar sinds Camus zegt die mens ja tegen het leven. We moeten ons niet laten doodkittelen. Een gedicht is steeds een statement, een verzet-je. En altijd een evenwicht zoeken tussen (taal)spel en (levens)ernst. Ik hou niet van poëzie die gebukt gaat onder te veel sérieux of van te evidente ‘open-en-bloot-poëzie’. Charles Olson verwoordde het mooi en lapidair: ‘Poetry is dancing sitting down.’ – ‘Poëzie is dansen terwijl je neerzit’

Monomeer is een slimme cirkel
Een bevreemdende reis die begint bij het ik en via de tastbare aarde en het abstracte heelal uitmondt in een jij die ‘een echte god’ blijkt te zijn ‘een schil van woorden/op maat van de gedachte ‘ (p 55).  ‘Je begin is perceptie’ – ‘Je bent een kooi van verlies’ zijn de slotakkoorden van een meerstemmige partituur.

Schalks, dartel, maar ook schurend langs de rand van de wrangheid. Het leven wordt tegemoet getreden met de onderzoekende blik van de taalchirurg. Sommige ingrepen leggen de organen bloot: die levende verborgen oorzaken van de zichtbare vorm. Voorwerpen en situaties worden uit elkaar gehaald en weer in elkaar geprutst met het alaam van de taalknutselaar.
Alles in een soepele taal met sporen van iets stokouds. Als een wiel dat lekker hapert.

De realiteit dient zich niet visueel aan. Eerder zien we dingen door een collage van fragmenten, klanken en woorddelen. De taal wordt gehanteerd als scalpel om de gevoelens, de dromen en de ontgoochelingen te fileren. Ik zei ‘ontgoochelingen’ maar dat was een uitschuiver. Alles in Monomeer is doordrenkt van een ironisch/licht cynisch aanvaarden van mens, geschiedenis en maatschappij.

De dichter flaneert langs het strand van het verstaanbare, steeds in twijfel of hij de volle zee moet kiezen van zijn eigen idioom. Semantisch goochelen is zijn eeuwige drive. Zou hij durven, denk ik vaak al lezend, onverstaanbaar worden? Het netwerk van labyrintische taalpaden vlecht zich bij momenten gevaarlijk dicht. Wie Daniel Dobbelaere leest moet meelaveren tussen zijn vrees voor de ernst en zijn hang naar het orakel.

Toen ik het laatste gedicht had gelezen en het boek nog halfopen in de handen hield  schoot me opeens het volgende beeld te binnen:

Ik kijk door een verrekijker. Ik zie een magere gestalte wandelen langs een eindeloos strand. De zee kabbelt rustig op en af. De gestalte blijft staan. Staat opeens voor een diepte. Daalt erin af en trekt, op de terugweg, de bodem met zich mee. Als hij zijn tocht vervolgt lijkt het van hier af alsof de afdaling nooit heeft plaatsgevonden. Alsof er geen diepte is geweest. Het strand ligt weer strak en onaangeroerd.

Een reis door tijd en ruimte die nooit was, met dat gevoel klapte ik Monomeer dicht. Een perfecte cirkel met duizend ingangen. Gesloten en zo lek als een zeef. Lichtvoetig en schurend. Helder en duister. Diep en oppervlakkig en altijd juist precies. Pijnlijk Pietje precies.
En ik wil graag nog eindigen met een vers van Gerrit Kouwenaar.

“ja ik geloof in de vooruitgang
en in het wrakhout langs de oevers
het zal nooit brood regenen
als peperduur staal overvloedig
de woorden zullen steeds als een koekoeksklok zingen
vóór hun betekenis, ja
ik geloof in de vooruitgang
maar de wereld zal altijd stilstaan.”

Gerrit Kouwenaar, de stem op de derde etage – 1960

Monomeer is verkrijgen bij Zegwerk of bij Boekhandel De Limerick in Gent.

©Jan Pollet

Verboden te roken

Verboden_te_rokenVanmorgen op de trein viel mijn oog op de ‘verboden te roken’- sticker. Hij hangt er al jàren en hij zal er ongetwijfel nog jàren hangen. Ik ben niet opgegroeid in het anti-rook stadion. In mijn jeugd kon je nog vrij en vrolijk roken op de trein en op het vliegtuig, in elke huiskamer en in elk openbaar gebouw.

Op televisie: overal rokende gasten en journalisten. Ik vraag me nu in alle ernst zelfs af of het nieuwsanker er ook niet eentje opstak vooraleer hij of zij van wal stak met zijn relaas over de rampen en de gruwels op deze planeet.

In de jaren ’60 was elke zichzelf respecterende huiskamer voorzien van een mandje met verschillende sigarettenmerken: met filter, zonder filter, zware Johnson, lichte vrouwensigaretjes en de altijd intrigerende maar onrookbare Gauloises. Elke zichzelf respecterende gast stak er plichtsgetrouw eentje op.

Nu, 2013, is het ondenkbaar dat iemand midden in een treincoupé een sigaret zou aansteken met het excuus niet op de hoogte te zijn van een algemeen rookverbod in treinen en openbare gebouwen. Tussen de jaren ’60 en nu gaapt de walmende, kleverige nicotine-kloof.

Tussen de jaren ’60 en nu rijst vooral een torenhoog verbodsteken. Persoonlijke meningen, hoofddoeken, burka’s, straatlawaai: ze bestaan alleen nog met een dikke schuine streep door.

Roken is slecht. Ik rook ook niet meer.
Roken is heerlijk, maar ik zal het nooit meer doen.

Het verbodene is verleidelijk.
Het verbodene is intussen bon ton geworden.
Het verbodene heeft de status van een dagschotel. Gewoon en overal verkrijgbaar.

‘Het verbod’ was een belangrijk thema in het werk van Marcel Broodthaers.

image_3175

Marcel Broodthaers, Défence de fumer 1969-1970 film still Film 16 mm, noir et blanc, muet collection FRACLanguedoc-Roussillon 

René Magritte maakte deze reclame voor het sigarettenmerk Belga:

magritteWoman-with_1923689b

[Fade outs is een rubriek over voorwerpen/gebruiken/gewoontes die (volgens mij) binnen afzienbare tijd ongemerkt uit het dagelijkse straatbeeld zullen verdwijnen. Ik kan me ook gewoon grandioos vergissen. In dat geval bied ik de toekomstige geschiedschrijver/archeoloog mijn oprechte excuses aan.]

Nieuwe tekening op …

augustus 27, 2013

…. Toofisme

hoe-dof3-b

Fade outs – de kroonkurk

augustus 26, 2013

[Fade outs is een rubriek over voorwerpen/gebruiken/gewoontes die (volgens mij) binnen afzienbare tijd ongemerkt uit het dagelijkse straatbeeld zullen verdwijnen. Ik kan me ook gewoon grandioos vergissen. In dat geval bied ik de toekomstige geschiedschrijver/archeoloog mijn oprechte excuses aan.]

De kroonkurk

Brussel, 26 augustus 2013,

Ik neem geregeld bus 29. Die brengt me van Brussel Centraal naar Schaerbeek. Een ritje van een twintigtal minuten.  Coca-colaBrussel doorkruisen tijdens de spits, het is niet echt een hellerit maar een plezierreisje kan je het ook weer niet noemen. De vuurproef is vooral het stukje tussen het Madouplein en Sint-Joost-ten-Node. Die vreemde mengeling van armoede en grootstedelijkheid met de uitstraling van een dorp, je moet er tegen kunnen. Ik kon er vanaf het eerste moment tegen. Er hangt iets ouds, iets onvergankelijks. Een oud bloemenkraam, een verlaten kiosk, een kleurloze middelbare school, op- en afrijdende autobussen en als grijze kroon op dit alles de barokke kerk van Saint Josse.

Op bus 29 hoor je alle talen behalve Nederlands en Frans. Vanavond kwam een corpulente zwarte vrouw naast me zitten. Ze rook naar cederhout. Bitter en scherp en fris. Wat een prachtige fluwelen jurk had ze aan. Mensen die naast elkaar op de bus zitten, kijken elkaar zelden aan. Ik ben ook zo. Ik keek door het raam en zag een bewegende lichtreclame van Coca Cola. Zo’n klein ouwerwets flesje met een metalen dop die er opeens miraculeus vanaf schoot waarop een bruine fontein vrolijk in het rond begon te spuiten.

Een kroonkurkje. Het verbaasde me dat er nog een reclamespot werd gewijd aan zo’n milieubelastend stukje metaal. Hoelang zou het nog standhouden in deze plastic tijd? Zolang het glazen flesje nog geblazen wordt?

Intussen op de tweedhandsmarkt:

53835846-flessenopener-decapsuleur-ijze-met-serienummer-coca-col

Grafijnementen

augustus 26, 2013

het nieuwe blog van Daniël Dobbelaere

P6140362

 

John Lennon

augustus 25, 2013

Hij heeft iets ouds. Iets diep-ernstigs. Het viel me vandaag op tijdens de tentoonstelling Bob Gruen in Fort Napoleon in Oostende. Anders dan zijn collega rocksterren straalt hij een verontrustende schranderheid uit. Ik wist niet dat Lennon een kruisje om de hals droeg. Droeg ie dat altijd? Of was het in scene gezet voor deze foto? Ik vind hem elk jaar meer één van de grote figuren van de 20e eeuw. De vrijheid in eenvoudig en strak metrum botvieren. Zeggen wat je te zeggen hebt. De man van het gortdroge en daarom zo komische dagboek ‘Got up. Went to work. Came home. Watched the telly and went to bed.’ De man die blijkbaar een diabolische uitwerking had op psychisch gestoorden. Het slachtoffer dat beroemder was dan Jezus.
Oostende-Fort-Napoleon-019

©Bob Gruen.

Een nieuwe tekening op …

augustus 21, 2013

Toofisme.

%d bloggers liken dit: