Gedichten van Czesław Miłosz

september 30, 2011

Gerard Rasch over Czesław Miłosz:

“Zijn terugkeer op hoge leeftijd naar zijn begin, de plaatsen van de jeugd, het land van herkomst, verleent zijn poëtische oeuvre een natuurlijke afronding: ‘In de zomerdageraad rende ik het vogelrumoer in, ik kwam terug, en tussen moment en moment heb ik mijn werk geschreven.’ Aan deze terugkeer hebben we zijn laatste drie bundels te danken, gepubliceerd van 1994 tot 2002. En deze terugkeer die een vervulling is, maakt de poëzie van zijn laatste fase tot een bevestiging van het leven; verzadigd maar toch weer onverzadigbaar.”

lees de inleiding + vertaalde gedichten van Czesław Miłosz op Raster.

In zijn column op de Groene Amsterdammer behandelt Erik Lindner twee onderwerpen:

Een lovende bespreking van het recente Armada-nummer over China:

“Het begrip nieuw op de kaft wordt recht gedaan – zo hedendaags als dit is het tijdschrift voor wereldliteratuur doorgaans niet. Samensteller Mark Leenhouts koos proza, poëzie en essays uit Mainland China, Taiwan en Hong Kong, alles in korte vorm en helder ingeleid. Dat maakt dit dubbelnummer een soort mini-encyclopedie. Het totaal verschillend proza van Wang Anyi en Yu Hua geeft heel andere inkijkjes in China, net als de Hongkongse schrijver Liu Yichang, die het verhaal Tête Bêche schreef dat de basis vormde voor de film In the Mood for Love van Wong Kar-wai. Proza dat niet alleen in stijl maar ook in thematiek sterk uiteenloopt. Dat geldt ook voor de poëzie.”

Een mooi verhaal over kunstenaar Hans Kalliwoda die aan een autonome schelp werkt die overal ter wereld kan staan:

Carel Peeters in Vrij Nederland nav de lezing Naar een nieuwe weerbaarheid. Literatuur in tijden van populisme, die Thomas Vaessens de afgelopen maand mei voor het Huis van de Kunsten Limburg heeft gehouden:

“Vaessens denkt dat alle literaire critici autoritaire imperialisten zijn die de lezers hun oordeel door de strot wringen. Vandaar dat hij niet weet dat die literaire critici helemaal geen last hebben van het ‘waarderelativisme’ dat Vaessens om zich heen ziet. Maar de postmodernisten die dat predikten hebben zich nooit meester kunnen maken van de literaire kritiek. De enige criticus die er wel eens last van had was Anthony Mertens, maar die kwam er op tijd van terug. Geen enkele Nederlandse criticus heeft er moeite mee om zijn waardeoordeel uit te spreken over wat hij heeft gelezen. Ook als het om ‘de intrinsieke waarde van literatuur’ gaat staat staan de critici niet met de mond vol tanden: Arnold Heumakers, Arjan Peters, Jeroen Vullings, Arjen Fortuin, Elsbeth Etty, Jacq Vogelaar, Marja Pruis, Graa Boomsma, Arie Storm, Pieter Steinz, Rob Schouten, geen van allen hebben ze last van waarderelativisme. Dat waarderelativisme bevindt zich alleen bij de literatuur- en cultuurwetenschappers. Die gaan langzamerhand tot de nieuwe wereldvreemden behoren.”

Lees het stuk op VN.

Vandaag overleed de grand dame van de Nederlandse literatuur Hella S. Haasse. In augustus dit jaar gaf ze nog een interview weg aan de Groene Amsterdammer:

Aan de andere kant typeert u uw band met Indië als een doorgeknipte navelstreng.

(met zachte stem) ‘Omdat ik het als kind altijd vanzelfsprekend heb gevonden dat ik daar was, dat ik daar mocht zijn. Het was natuurlijk. Nog altijd krijg ik een brok in mijn keel als ik films of afbeeldingen van het Indië van mijn jeugd zie. Terwijl ik ook weet dat dat Indië niet meer bestaat. Er is niets meer van over. Ik ben afkomstig uit een niet-bestaande wereld, een die ook toen hij bestond eigenlijk niet bestond. Het is lastig om veroordeeld te zijn tot heimwee naar iets wat zich in feite voornamelijk in mijn hoofd heeft afgespeeld.
Zonder enige moeite – ik heb een goed geheugen – kan ik mezelf terugplaatsen naar dingen die ik heb meegemaakt of gezien, en dan ben ik daar weer. Ik zie huizen waar we hebben gewoond, gezichten van vroeger, mijn middelbareschooljaren. Muziek kan me ook zo terugvoeren, naar tachtig jaar geleden, naar twintig jaar geleden, muziek is een krachtig iets. Vooral piano heeft een directe uitwerking op mijn gemoed: ik hoor dan mijn moeder die pianiste was, of mijn man, die uitstekend kon spelen.'”

Sven Vitse besprak de literaire tijdschriften Terras, Deus Ex Machina en Kluger Hans in een vorig nummer van DW&B.

Over Kluger Hans schrijft Vitse het volgende:

“De redactie van Kluger Hans heeft met die van Terras gemeen dat ze niet bang is om tegen de keer in te gaan: in een periode waarin enkele literaire tijdschriften ermee ophielden, startte zij vrolijk een nieuw blad. Het tijdschrift is ondertussen aan zijn derde jaargang bezig en is om een of andere reden in deze rubriek tot op heden koppig genegeerd. Nochtans is Kluger Hans een sympathiek blad dat soms verrassende vertalingen brengt, vaak jonge auteurs publiceert en bovendien fraai vormgegeven is. De kwaliteit van de teksten is altijd wisselend geweest, met voltreffers en missers, en dat is in dit nummer niet anders.”  (lees de volledige bespreking op DW&B)

Zelf sprak ik gisteren in deze kolommen mijn waardering uit voor het feit dat Kluger Hans de weg terug gevonden heeft naar de oude stal. Zie dit bericht.

Interview met Tom McCarthy over zijn roman C:

‘Literatuur gaat altijd over communicatie, transmissie en receptie. Wanneer je Finnegans wake van James Joyce leest, is het net alsof je zit te draaien aan de zenderknop van een radio, waarbij je steeds andere stemmen hoort. Ik zie schrijvers als wezens met antennes. Ze ontvangen signalen, geluiden en lawaai. De ideale schrijver filtert de tekst uit het lawaai dat er overal is. Eigenlijk gingen schrijvers altijd al zo te werk. Kijk maar naar Shakespeare, die samplede uit de teksten van Ovidius, Petrarca en Lucretius. Hij is een prachtig voorbeeld van een schrijver met antennes.’ (De Standaard)

Bekijk ook deze video met McCarthy over literatuur en geweld:

Erwin Mortier over De Bloedplek van Paul Demets:

“In de wereld van Demets’ verzen knaagt en knarst het besef dat al die plaatsen slechts decor zijn, fragiele façades, onophoudelijk op de achtergrond. Het sijpelt door de stopcontacten naar binnen en doet de lampen knipperen. De taal zelf lijkt ieder moment aan een fatale stroomstoring te zullen bezwijken. Zie ons daar zitten, bubbelend en borrelend in ons vacuümgetrokken welbehagen, verdoofd door het zachte gezanik van een passende soundscape. Of zie ons maar zwoegen in die fitness, waar we onze leden gezond denken te houden, maar ze wellicht vooral, zoals de naam van zulke instellingen doet vermoeden, passend maken, onder de altijd voelbare maar ook immer onvatbare ogen van een naamloze buitenwereld. Zelfs een doordeweekse jas verliest hier zijn vermogen tot bekleden: ‘Daar/ horen armen door en schouders onder.// Gaten in de gaten…’ Paskamers worden dan weer oorden doortrokken van ‘bezitsdrang en okselzweet’.” (lees de volledige bespreking die eerder verscheen in De Morgen op de site van Erwin Mortier)

Zie ook de bespreking van Erik Lindner in De Groene Amsterdammer.

%d bloggers liken dit: