Lieve critici

juni 27, 2011

Lieve critici

Lieve critici, ik vrees
dat ik geen dal of doelgerichte
lijn in de loop der jaren lees
van mijn duizenden gedichten.

Ik blijf een ventje dat maar schrijft
en nauwelijks wil weten
of zijn bekladdering beklijft
of gretig wordt vergeten.

(…)

Uit de nieuwe dichtbundel van Leo Vroman, Daar. Drie gedichten in voorpublicatie op Athenaeum Boekhandel.

“Kan literatuur vandaag nog dienen voor politieke verandering? We kunnen vragen stellen bij die vraag, zoals: wat is politiek, en wat betekenen de woorden ‘vandaag nog’? Bertolt Brecht schreef dat hij in duistere tijden leefde, en iedereen weet ongeveer waar dat op slaat: crisis, nazisme, wapengekletter; Brecht was typisch een man van de periode 1914-1945, die we nu soms aanduiden als ‘de tweede dertigjarige oorlog’.

De tijd waarin Europeanen vandaag leven is daar niet mee te vergelijken; hij is even duister, maar wel op een andere manier. Eén verschilpunt moet ik speciaal beklemtonen: juist toen, in Brechts tijd, dachten zeer velen dat er ondanks alles een fundamentele verbetering van de maatschappij mogelijk was, en het alomtegenwoordige geweld zagen ze vaak als geboortepijn van een nieuwe wereld. In de jaren zestig staken de grote verwachtingen opnieuw de kop op, maar vandaag weten we beter: slechts één economisch en politiek systeem is aanvaardbaar, en wie er anders over denkt heet al gauw extremistisch, of erger.

Hoe zou iemand in déze constellatie literatuur kunnen schrijven die gericht is op politieke verandering? Hoe zou er ‘vandaag nog’ een oeuvre kunnen ontstaan dat enigszins vergelijkbaar is met dat van Brecht?”

De lezing die Joris Note uitsprak  over literatuur en politiek tijdens Poetry International 2011 is  te lezen op De Wereld Morgen. (foto: Bertold Brecht)

“Het grote thema in het werk van Malick, die goed doorkneed is zowel in de mystieke traditie als in het werk van Martin Heidegger (‘if we cannot educate ourselves to his purposes, then clearly his work will look like nonsense’), is de intrinsieke verbondenheid van alle leven, ook in de evolutionaire zin van een gemeenschappelijke afkomst, zoals die in bijna alle bekende religies gesymboliseerd wordt door het beeld van de Levensboom – en alleen vanwege de titel zou je dus The Tree of Life kunnen zien als Malicks voorlopige chef d’oeuvre. Centraal in dit onlangs op het filmfestival van Cannes met de Gouden Palm onderscheiden meesterwerk – want dat is het, een het hele bestaan omvattend meesterwerk – staat de relatie van de mens tot de kosmos, gezien door het prisma van een doorsnee Amerikaans gezin uit een stille voorstad van Waco, Texas in de jaren vijftig, een gezin waarvoor overigens het gezin waarin Malick zelf is opgegroeid model heeft gestaan: vader, moeder, drie zoons. Een gezin dat direct aan het begin van de film een jobstijding krijgt te verwerken –” >> lees de bespreking van Roel Bentz van den Berg op De Gids.

[en lees ook het essay van Maarten van der Graaff op zijn blog]:

“The Tree of Life opent met de volgende woorden: ‘Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?’. De God van Abraham, Izaäk en Jakob toont zijn spierballen. Dit is het antwoord op de klacht van zijn dienaar Job uit het gelijknamige Bijbelboek, die alles is kwijtgeraakt: kinderen, runderen, zijn levenslust. Ik heb dit altijd een onverdraaglijk vroom einde gevonden van een interessant werk over lijden, rechtvaardigheid en gepaste antwoorden. Die antwoorden van Jobs vrienden op de vraag hoe het lijden geplaatst moet worden binnen het geloofssysteem, de moraal, het universum, zijn kitscherige antwoorden van het type Möring. Van het type één plus één is twee. Job zal wel iets fout gedaan hebben: zonde=lijden (zie plezier=lijden). Elihu , de laatste vriend die tot hem spreekt, prent op zijn beurt de arme donder in dat God veel groter en machtiger is en dat God daarom altijd in zijn recht staat. Waarom moeilijk doen? Alle lijden wordt over één kam geschoren. In ieder geval stelt het allemaal geen pleuris voor als je oog hebt voor de ontzagwekkende daden van het Alfa- en Omagamannetje.  Het gekke is dan weer dat deze schofterige dooddoener zo mooi verwoord is. Je ruikt, proeft, voelt die grote oersoep waar de maker zo trots op is.”  (Maarten van der Graaff)

Overzichtstentoonstelling van Erwin Wurm in het Gemeentemuseum Den Haag.

*

“I’ve stopped reading fiction. I don’t read it at all. I read other things: history, biography. I don’t have the same interest in fiction that I once did.”

How so?

“I don’t know. I wised up … ”

Interview met Philip Roth in de Financial Times.

*

“Heere Heeresma was niet gecharmeerd van autobiografisch proza. Zo’n 95 procent van de literatuur betreft ‘helaas het superieure ik, het heerlijke zelf, het verrukkelijke ego van de literator en zijn onbenullige avonturen,’ verklaarde hij eens.” (Literatuurplein over de overleden Heer Heeresma)

*

“Maar die rede hoekom ek vandag aan Wings of Desire dink, is die dood van Peter Falk, wat homself in die film speel. Hy besoek Berlyn om ʼn film te maak oor die stad se Nazi-verlede. Hy was skynbaar in ʼn volrige lewe ʼn engel. Ek skat hy’s nou weer een.”  (Andries Bezuidenhout op Versindaba)

*

Janneke Wesseling in Terras over een schilderij van Andrea Mantegna en de horzion als Prins der lijnen.
*

“In het werk van Jan Eijkelboom komen veel vogels voor. Toch is hij geen natuurdichter. Daarvoor is zijn ik-gerichtheid te dominant. Er is een teveel aan huiselijkheid, aan ‘dit-is-mij-genoeg’. In zijn laatste bundel ‘Een olifant met geheugenverlies’ (2005) vraagt hij zich af of hij het als dichter wel goed gedaan heeft: ‘Ik tast naar een andere dictie / dan die van mijn verjaarde zelf. // Heb ik te veel gepreveld, te weinig geklonken, / te veel ongezongen gezegd?’ Hij besluit dat zijn ervaringen toch zo moeten zijn: ‘in onversierde taal, bijna vanzelfsprekend.’ ” (Johan Velter)

*

“In de hoop nog iets te kunnen redden – bij voorkeur het eigen hachje – werkte iedereen mee aan de ontmanteling van de enclave Cultuur. Nu de sloophamer is gevallen, heerst Halbe, want de sector is verdeeld in haves en have-nots en die twee bleken niets gemeen te hebben dan de stille hoop te overleven ten koste van de ander. Wat ze in ieder geval niet gemeen hadden was een visie op kunst en cultuur die dwingend genoeg was om ten overstaan van de vijand een front te blijven vormen.” (Gerwin van der Werf)

*

Louis Andriessen over de ‘bezuinigen’ in Nederland (youtube)

*

%d bloggers liken dit: