© Marieke van Diemen, Poem, 2007

via Zapiski

*

“Van K. Schippers geleerd: alsje goed om je heen kijkt, zieje dat alles gekleurd is.

Van mijn hond geleerd: alsje goed om je heen snuift, ruikje dat alles een geur heeft.

Van mezelf geleerd: alsje goed om je heen kijkt, zie je dat alles besmeurd is.

Een glas water getapt uit een grijze, groene of blauwe zee is vrijwel kleurloos. Een verhaal direct getapt uit het volle leven meestal ook.” (Charlotte Mutsaers op Raster)

*

 Wie is Lieke Marsman?

*

De tweede papieren Revisorin augustus in de winkels met proza van Sanneke van Hassel, Gerbrand Bakker, Rob van Essen, Elke Geurts en Bart Koubaa. Poëzie van Anneke Brassinga, Martijn den Ouden, Hans Groenewegen, Euf Lindeboom en Victor Schiferli. Essays van Daniel Cunin, Erik Lindner, Daan Stoffelsen Mischa Andriessen en Jan van Mersbergen.

*

Het nieuwe nummer van The Paris Review 

*

Interview met Anis Shivani.

*

Interview met Bakhyt Kenzjejev tijdens Poetry International:

Delphine Lecompte blogt

juni 24, 2011

“Ik ben in een kuststad en ik zal de zee niet zien.

Gisteren ben ik aangekomen, ik logeer bij mijn grootmoeder. Ze is 88, ze eet alleen maar groene pesto en ze drinkt liters whisky. Ze is nooit dronken.

Nu sta ik aan de bronzen linkervoet van een vermaledijde vorst, een lieveheersbeestje (…)”

op Versindaba.

“De eerste keer dat ik op poëtische wijze kennis maakte met de Achterhoek was in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw, via de bundels Boerengedichten (1969) en Uier van t oosten (1970) van Habakuk II de Balker. De naam van deze dichter prikkelde de fantasie van deze stadsjongen net zo hard als woorden als bekermos, dorsmessen, gierpomp, karabies, wolfstong en zwartveen dat deden. Habakuk II de Balker, die ondertussen al jaren H.H. ter Balkt heet, was niet de eerste dichter die de liefde voor zijn geboortegrond bezong.” >> lees het artikel van Bert Bevers op Versindaba.

“Eén van Francis Bacons lievelingsschilderijen is een zelfprotret van Rembrandt. Hij vermeldt het in meerdere interviews.  Wat hem zo bevalt in dit portret is dat, als je er van dicht naar kijkt, bemerkt dat de ogen geen kassen hebben. Laten we deze verklaring naast een zin van Hölderlin leggen die me om onduidelijke redenen achtervolgt.  Op de rechterzijde van een blad waarop hij reeds een gedicht had neergekrabbeld, begon Hölderlin later een essay te schrijven. Het bevat deze bizarre opmerking:

Öfters hab’ich die Sprache, öfters hab’ich Gesang versucht, aber sie hörten dich nicht.

Meer dan genoeg heb ik taal geprobeerd, meer dan genoeg heb ik het lied geprobeerd, maar ze hoorden je niet.

Iets in de manier waarop de voornaamwoorden in deze zin met zichzelf geconfronteerd worden doet me denken aan  Rembrandts ogen. Deze ogen zonder kassen zijn zeker niet blind.  Ze kijken op een krachtige manier, maar hun blik is niet georganiseerd op een normale manier. Het zien is aan de gang, maar het is mogelijk dat het zien in Rembrandts oog binnenkomt langs achteren. Wat zijn blik uitdrukt, in onze richting, is diepe stilte. Misschien eerder de stilte die volgde op het antwoord van Jeanne D’Arc toen de rechters haar vroegen: “In welke taal spreken je stemmen tot jou?” en zij antwoordde: “Een betere taal dan die van u.””

Anne Carson, Variations on the Right to Remain Silent

%d bloggers liken dit: