‘De wolken’ – update: Marc Didden en Johan Velter
juni 4, 2011
Voor sommigen een ergerniswekkend allegaartje van ego-documenten, voor Marc Didden is ‘De wolken – uit de geheime laden van Hugo Claus‘ een ‘Wolk van een boek‘:
“De wolken is een zeer tastbaar toverobject geworden dat ons ruim driehonderd pagina’s lang laat dwalen en dromen in een leven en een wereld die wij misschien wel vaak gedroomd hebben maar die ongetwijfeld enkel en alleen toebehoorden aan Hugo Maurice Julien Claus, geboren op 5 April 1929 en op dit moment bijna zeker in een hoek van de hel aan het kaarten met Harry Mulisch, Louis-Paul Boon en Jan Wolkers, terwijl Willem-Frederik Hermans wat verderop boos zit te mokken omdat hij niet mee mag spelen.
Verwacht van steller dezes niet dat ik ga vertellen wat er allemaal in dat prachtige boek van Claus en Schaevers te beleven is.
Ik stel voor dat u het werk gewoon aankoopt en na lezing voor eeuwig neerlegt op uw koffietafel. En als u geen koffietafel heeft, ga nu dan buiten en koop tegelijk De wolken én een koffietafel.
Wat zo mooi is aan dit boek en wat het voor mij in tegenstelling tot veel andere ‘schrijversboeken’ zo boeiend en ontroerend maakt, is dat ik er Claus ook helemaal in herken: het genie en de kwajongen, de dichter en de boer, de Parijzenaar, de Amsterdammer en de West-Vlaming. De man, de minnaar, de vader, de broer en de zoon. De grote schrijver en de kleine kruidenier.” (Lees verder op De Morgen)
Zowel een gebeurtenis als een gemiste kans, maar toch blij dat dit boek er is, luidt de slotconclusie van Johan Velter (die er een leuke Claus-tekening aan toevoegt):
19. Dit boek werd, zegt men, uitgegeven uit piëteit voor de schrijver. We leven in een tijd waarin het snuffelen in andermans papieren als een eerbetoon wordt voorgesteld. Sommige bladzijden hadden voor mijn part nooit gepubliceerd mogen worden. Een publiek figuur is nog geen slet. Ook de titel wordt voorgesteld als de vervulling van Claus’ laatste wens. Hij poogde in zijn laatste jaren nog een roman te schrijven met de titel ‘De wolken’. Enfin, zo werd altijd gezegd. Maar zoals Claus niet ‘Geruchten’ schreef, maar ‘De geruchten’; ook niet ‘De mensen van hiernaast’ maar wel ‘De mensen hiernaast’, zo poogde Claus ook niet ‘De wolken’ te schrijven maar wel een boek met de titel ‘Wolken’ (zie manuscript op p. 323). Een detail, maar zoals God in het detail zit, zo ook de gruwel. (lees verder op het weblog van Johan Velter)
Met Buddingh’-jury’s weet je het nooit
juni 4, 2011
Jurre van den Berg, na een nogal vernietigende bespreking van Y.M. Dangre’s debuut, waagt zich aan een pronostiekje op Tzum:
“Hoe zijn de kaarten dit jaar geschud? De oogst is divers, maar het jaar zal denk ik niet de boeken ingaan als het startpunt van een nieuwe overdonderende generatie. Dennis Gaens schreef een leesbare en sympathieke generatieschets van zijn generatie die geen generatie is, maar mist te vaak de gelaagdheid die poëzie spannend maakt. Het debuut Marjolijn van Heemstra geeft blijken van talent, maar vliegt ook om de zoveel pagina’s nog flink uit de bocht. (Wellicht nomineerde de jury haar mede vanwege haar slimme en aansprekende promotiecampagne?) De nominatie van dweperige lyricus Y.M. Dangre is ronduit onbegrijpelijk. Dit jaar zou het een daad van pure recalcitrantie zijn als de twintigjarige Lieke Marsman niet de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut krijgt voor haar intrigerende bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud.”
In Knack gokt Philippe Hoorne dan weer op de door Jurre van de Berg verguisde Y.M. Dangre:
“Maar de reden dat deze bundel genomineerd is voor de C. Buddingh’-prijs, die elk jaar het beste Nederlandstalige poëziedebuut bekroont, én die prijs waarschijnlijk ook zal winnen, is de cyclus ‘Onze woonst’.
In zes gedichten schetst Dangre, die gezien zijn jeugdige leeftijd onmogelijk een ervaringsdeskundige kan zijn, op indringende wijze een uitgewoond huwelijk van een man en een vrouw die tot elkaar veroordeeld zijn. Hun echtelijke woonst is een gevangenis, hun huwelijk ‘Een hele kleine oorlog’, tevens de titel van veruit het beste gedicht van de bundel, mét knipoog naar de klassieker van Willem Elsschot. “
Op het schutblad van een boek uit Pessoa’s bibliotheek werd een nieuw gedicht van Pessoa’s heteroniem Alberto Caeiro aangetroffen. Het werd vermoedelijk in 1920 met de pen in het boek geschreven. Pessoa-vertaler Michael Lee Rattigan vertaalde het naar het Engels in 2010. Het gedicht begint als volgt:
I enjoy heaven because I don’t believe that it’s infinite.
With me there is no beginning or end.
I don’t believe in the infinite, I don’t believe in eternity.
I believe space starts somewhere and ends somewhere
And that this side and the other means absolutely nothing.
(…)
Lees verder op The Fiend.
Intussen is het gedicht al in het Nederlands vertaald. Gys-Walt van Egdom laat weten via facebook dat de Engelse vertaling op enkele punten te wensen overlaat: (voorbeeld: “With me there is no beginning or end.” => te expliciterend voor Caeiro. “And that this side and the other means absolutely nothing.” => ‘haver’ als betekenen is foutief. “It is false to believe” => ‘Falso é falar’ vs. ‘falso é acreditar/crer…’ – August Willemsen had het nog moeten meemaken. Hierna de vertaling van Gys-Walt van Egdom:
Ik hou van de hemel omdat ik geloof dat die niet oneindig is.
Wat kan ik nu hebben met iets dat begin noch einde heeft?
Ik geloof niet in oneindigheid, ik geloof niet in eeuwigheid.
Ik geloof dat ruimte ergens begint en ergens eindigt
En dat er daarbuiten en daarnaast helemaal niets is.
Ik denk dat de tijd een begin had en een einde zal hebben,
En dat er daarvoor en daarna geen tijd kan zijn.
Waarom moet dit onwaar zijn? Het is onwaar om te spreken
van oneindigheden alsof we ze zouden kennen of kunnen begrijpen.
Neen: alles is een aantal dingen.
Alles is bepaald, alles is begrensd, alles is dingen.
(vertaling Gys-Walt van Egdom)